Dodenboek vol magische spreuken II

De afbeeldingen en teksten op papyrus behoren tot de meest bewonderde voorbeelden van de teken- en schilderkunst uit het oude Egypte. Dat geldt met name voor de geïllustreerde dodenboekrollen uit het Nieuwe Rijk (1539-1077 v.Chr.). Een dodenboek is een verzameling spreuken waarvan enkele vaak voorkomen en daarmee een soort standaard zetten. Elk dodenboek bevat een eigen selectie uit de ruim 190 spreuken die de Egyptenaren kenden. De volgorde van de spreuken verschilt soms per papyrus. Het Rijksmuseum van Oudheden heeft het Dodenboek van Pakerer in bezit, een van de dodenboeken die goed bewaard zijn gebleven.

Spreuken en tekeningen

De Egyptenaren zelf noemden de verzameling spreuken ‘Het boek van het uitgaan bij dag’. Dat is eigenlijk een korte omschrijving van wat zij met de toverspreuken en tekeningen wilden bereiken: gewapend met macht en magie moest de verheerlijkte dode zich overal na de dood vrijelijk kunnen bewegen, hij moest het graf in en uit kunnen gaan, in welke gedaante dan ook. Behalve zonnehymnen bevatten de teksten ook toverspreuken voor een gedaanteverwisseling. Daarmee kon de dode zich het uiterlijk en de macht van bepaalde goden toe-eigenen. Een hoogtepunt vormen de spreuken waarmee de overledene het dodengericht voor de god Osiris overwint en zijn verblijf in het hiernamaals aangenamer kan maken. Een speciale verzameling spreuken diende ervoor om vijandige machten uit te schakelen.

Pakerer en zijn vrouw Ioey

Op de papyrusrol van Pakerer (1300-1200 v.Chr., 39 centimeter hoog), een naam die ‘De Kikvors’ betekent, wordt ook zijn vrouw Ioey herhaaldelijk genoemd en afgebeeld. Op het vignet op de tweede afbeelding zien we het echtpaar samen. Op de beigebruine (oorspronkelijk witte) achtergrond zijn de teksten in kolommen van links naar rechts geschreven, met daarboven de bijbehorende illustraties (vignetten). De schrijver-tekenaar gebruikte alleen de kleuren zwart en rood. Rood paste hij ook toe voor de titels bij het begin van elke spreuk. Het hier getoonde fragment van de rol is beschreven met toverspreuken waarmee kwade geesten kunnen worden verdreven.

Slang bijt ezel

Het linkervignet op de eerste afbeelding dient als illustratie van dodenboekspreuk nr. 40. Pakerer is bezig de kop van een slang te doorsteken op het moment dat het reptiel een ezel in de nek bijt. Volgens de toen heersende opvattingen belichaamde de ezel zelf eigenlijk het kwaad, maar in dit geval – een gekweld dier – zal er een uitzondering op de regel zijn gemaakt. Het dier wordt hier beschermd door een goede god. De tekst luidt: “Spreuk om het gulzige beest te verdrijven dat de ezel probeert te verslinden, te reciteren door de Osiris Pakerer; zaliger. Met kalme stem spreekt hij: op je bek, jij, eet me niet op, want ik ben rein. Wie ben ik immers? Ik ben uit mijzelf gekomen. Jij zult niet tegen mij komen, jij die hier bent zonder geroepen te zijn. Jij weet niet dat ik meester ben over jouw bek. Trek je terug voor jouw wierook” Uit de rest van de tekst blijkt dat Pakerer zich vereenzelvigt met de god Osiris, waardoor hij een magische kracht ontvangt.

Insect

In het vignet ernaast (eerste afbeelding) gaat onze man een groot insect te lijf met een mes. Het ondier stelt een kruising voor van een kever en een sprinkhaan, luisterend naar de naam Apschai. De dodenboekspreuk die erbij hoort, is dan ook getiteld: ‘Spreuk om een Apschai te verdrijven’.

De voorwerpen | Relevante voorwerpen