Klik nogmaals op de knop om de filters te resetten Sluiten

Wandreliëf uit Nineveh

Dit wandreliëf stamt uit het Nieuw-Assyrische rijk, uit de koningsstad Nineveh. Koning Sanherib bouwde daar een ‘paleis zonder zijns gelijke’. Het oorspronkelijke wandreliëf bestond uit tweeduizend van dit soort stukken. Dit fragment toont twee vrouwen, hoewel één een eunuch kan zijn, en een Assyrische soldaat. De vrouwen hebben lange haren en dragen een kleed en een mantel. De middelste figuur draagt twee waterzakken. De soldaat is gekleed in een tuniek met korte mouwen en een brede gordel met smalle riem. Hij draagt een helm met wangbeschermers en een verenpluim, kenmerkend voor het Assyrische vreemdelingenlegioen. Hij is bewapend met speer, dolk en een groot schild. Over de samenhang met andere reliëfs is weinig bekend. Vermoedelijk maakte dit stuk het deel uit van een serie die deportaties van krijgsgevangenen toonden.

Dit reliëf dateert uit de late fase van het Nieuw-Assyrische rijk tijdens koning Sanherib of koning Assur-banipal. Net als andere reliëfs werd ook dit stuk opgegraven door A.H. Layard, zij het ditmaal niet in Nimrud maar in de ruïneheuvel van Küyünjik, de Assyrische koningsstad Nineveh. In 1846, en opnieuw in 1847 en 1849, groef Layard in het zuidwesten van de stad en legde daarbij delen bloot van het enorme paleis van Sanherib (704-681 v.Chr.). Sanherib gaf opdracht tot de bouw kort na zijn troonsbestijging en bij de voltooiing in 694 v.Chr. kreeg het gebouw de naam Saninala’isu, ruwweg te vertalen als ‘het paleis zonder zijns gelijke’. Tientallen jaren bleef het Saninala’isu in gebruik, totdat het uiteindelijk door een grote brand verwoest werd (mogelijk het gevolg van de val van Nineveh in 612 v.Chr.). Ook Sanheribs kleinzoon Assur-banipal (668-626 v.Chr.) heeft tot 646 v.Chr., toen een nieuw en in zijn opdracht gebouwde paleis in het noordwesten van Nineveh voltooid werd, in het Saninala’isu gehuisd en het gebouw van vele wandreliëfs voorzien.

Aanvankelijk toonde Layard zich teleurgesteld over zijn vondst. Toen het duidelijk werd dat het Saninala’isu door brand verwoest was, meende hij zijn hoge verwachtingen, en zijn hoop om zijn eerdere successen te Nimrud nu in Nineveh te herhalen, in rook te zien opgaan. Deze teleurstelling bleek evenwel spoedig ongegrond te zijn: in de eenenzeventig kamers die hij onderzocht kwamen meer dan tweeduizend wandreliëfs te voorschijn, waaronder, naar alle waarschijnlijkheid, het hier getoonde. Naast de orthostaten vond Layard in twee kamers grote hoeveelheden spijkerschrifttabletten. Deze tabletten vormden een deel van de beroemde bibliotheek van Assur-banipal; het resterende deel werd in 1852 door Layards assistent Hormuzd Rassam gevonden in het tweede grote paleis in het noordwesten van Nineveh.

Het reliëf toont twee vrouwen (het is echter mogelijk dat de figuur in het midden geen vrouw, maar een eunuch is), gevolgd door een Assyrische soldaat. De gezichtstrekken zijn fijn en gedetailleerd weergegeven, waarbij het wat bolle karakter van zeker de persoon in het midden onmiddellijk opvalt (let op de onderkin). Het haar is zorgvuldig in golven gemodelleerd en reikt tot de schouder. De oren zijn daarbij onbedekt. De vrouw links draagt een eenvoudige hoofdband. Beide personen zijn gekleed in een lang, tot op de voeten hangend kleed, waarover een even lange mantel met dubbele zoom gedragen wordt. De buitenzoom toont een patroon van lijnen, die waarschijnlijk franjes voorstellen. De mantel hangt over de schouder en bedekt de bovenarmen. De vrouwen lijken ongeschoeid te zijn, te oordelen naar de duidelijk weergegeven tenen bij de vrouw in het midden. De linker vrouw houdt de handen voor de onderbuik, terwijl het hoofd naar achteren is gedraaid. Ze lijkt in gesprek te zijn met de vrouw achter haar. De figuur in het midden houdt met beide handen een tweetal waterzakken vast, die middels een snoer met elkaar zijn verbonden en over de rechterschouder hangen, de één voor, de ander achter.

De bebaarde soldaat rechts is gekleed in een tuniek met korte mouwen en draagt om het middel de kenmerkende brede gordel, waarover (in het midden) een smallere riem geplaatst is. Het is onduidelijk of de soldaat schoeisel draagt. Zo ja, dan kan het hooguit gaan om eenvoudige, platte sandalen. De sandaal was het meest gebruikte schoenvorm bij de Assyriërs en kwam in vele varianten voor. De man heeft een ronde helm met oor- of wangbeschermers die met behulp van scharnieren aan de eigenlijke helm bevestigd werden. Het haar, reikend tot op de schouder, steekt onder de helm uit. De helm is getooid met een korte, maanvormige verenpluim gemonteerd op een metalen kam.

Dit soort van helmen verschijnt voor het eerst in de late 8ste eeuw v.Chr., in de tijd van Tiglat-pileser III (zie de orthostaat met strijdscène uit Nimrud), en werd gedragen door een speciaal onderdeel van het Assyrische leger: de vreemdelingen die als huurlingen dienst deden in het Assyrische leger en die zeer waarschijnlijk geronseld werden in de omgeving van Karkemish (Noord-Syrië) of Karatepe (Zuidoost-Anatolië). Vanaf de tijd van Tiglat-pileser III, zo niet eerder, bestond het Assyrische leger uit beroepssoldaten en was het de gewoonte om naast rekruten uit de eigen bevolking ook buitenlanders in te huren, vooral soldaten uit de legers van verslagen opponenten. Deze vreemdelingen deden steeds dienst als infanteristen, zo ook de soldaat afgebeeld op ons reliëf.

Uit de bewapening blijkt dat de man behoorde tot de lansdragers, het zwaarst bewapende onderdeel van de Assyrische infanterie. Hij houdt met beide handen een speer en in de rechterhand een zwaard of dolk vast. Op de rug draagt de soldaat een groot schild met een recht standvlak en een afgeronde, met metaal beslagen rand. De wand van het schild is sterk gebogen en lijkt te bestaan uit vele losse onderdelen, in rijen geordend en bevestigd. Waarschijnlijk gaat het hier om een deklaag van kleine leerstukjes. Een dergelijke deklaag verschijnt voor het eerst op (ronde) schilden uit de tijd van Sargon II (721-705 v.Chr.).

De vorm van het grote schild gedragen door de soldaat op dit reliëf wijst er echter op dat deze orthostaat in latere tijd vervaardigd werd: deze schilden lijken ingang te vinden tijdens het bewind van koning Assur-banipal. Indien deze toeschrijving correct is, moet men aannemen dat dit reliëf vervaardigd werd in de eerste jaren van Assur-banipals koningsschap, dus vóór 646 v.Chr., toen hij immers zijn intrek nam in het nieuwe paleis in het noordwesten van Nineveh. In dit opzicht lijkt een datering van het reliëf rond 660-650 v.Chr. gerechtvaardigd. Een interessant detail is dat op Assur-banipal’s reliëfs deze schilden vooral gedragen worden door de buitenlandse huurlingen met de pluimhelm. De andere infanterie-eenheden maken gebruik van een klein of groot rond schild.

Oorspronkelijk maakte het reliëf ongetwijfeld deel uit van een lange serie van orthostaten, geplaatst in één van de paleiszalen in Nineveh. Helaas ontbreekt elke informatie omtrent de precieze plaats van het reliëf en de samenhang met de overige bewaarde Nineveh-orthostaten. Net als de reliëfs van Nimrud zijn ook de Nineveh-orthostaten over privé-collecties en musea in de gehele wereld verspreid. De voorstelling van dit reliëf lijkt op exemplaren in Londen (Royal Geographic Society) en in Rome (Museo Barracco). Hoogstwaarschijnlijk tonen deze reliëfs ook een deportatie-scène, waarbij Assyrische soldaten het transport van krijgsgevangenen en oorlogsbuit begeleiden. Haardracht en kledij van de vrouwen suggereren dat het hierbij gaat om gevangenen uit het zuiden van het Tweestromenland, om Babyloniërs of Arameërs.

De voorwerpen | Relevante voorwerpen

Bezoek ons: