Klik nogmaals op de knop om de filters te resetten Sluiten

Klein godenpaar

Na de ineenstorting van het rijk der Hettieten (rond het huidige Turkije) rond 1180 v.Chr. ontstonden kleine neo-Hettitische rijkjes, bekend om hun beeldhouwwerken, reliëfs en bronzen. Dit ‘altaartje’ bestaat uit een vierkant voetstuk met een godenpaar. Het onderstel is versierd met twee sfinxen en een leeuw. De achterzijde is niet gedecoreerd. De figuren zijn met een pen op de voetplaat bevestigd. Omdat de rechter figuur groter is en grovere gelaatstrekken heeft, is dit waarschijnlijk een man en de linker figuur een vrouw. Beiden houden in de linker hand een staf en zijn gekleed in lange gewaden en een onderkleed. Hun gegolfde haar hangt op hun schouders. Het altaar heeft uiteenlopende stijlkenmerken. De gevulde, gedrongen lichamen en grote hoofden zijn karakteristiek voor een lokale Hettitisch-Aramese traditie, terwijl de houding, kleding en haardracht Nieuw-Assyrisch lijken. De dieren op het voetstuk doen weer meer denken aan sfinxen- en leeuwenpoorten uit een eerder Hettitisch verleden.

Omstreeks 1180 v.Chr. stortte in Anatolië (grofweg het huidige Turkije) het grote rijk der Hettieten in. Dat was toen een van de supermachten in de regio. In het noordwesten van Syrië en het aangrenzende Turkse heuvelland, al sinds de late 14de eeuw bestuurd door Hettitische onderkoningen, vond nog een nabloei plaats. Daar ontstonden tal van stadstaatjes, zoals Karkemish (het huidige Cerablus), Melid (Arslantepe) en Sam’al (Zincirli). Deze kleine neo-Hettitische rijken handhaafden zich tot ongeveer 700 v.Chr. Befaamd zijn vooral de monumentale beeldhouwwerken en reliëfs van steen uit deze tijd. Veel minder is bekend over de bronskunst, waarvan hier een uniek voorbeeld uit de late 8ste eeuw v.Chr. Het is een kleine figuratieve groep, mogelijk een soort altaartje waarbij de beide menselijke figuren een godenpaar voorstellen.

Het altaartje bestaat uit twee delen: allereerst een vierkant onderstel, waarop met behulp van een pen het godenpaar is bevestigd. Het holle, vierkante voetstuk, zonder bodemplaat, toont een lichte uitkraging aan de onderzijde en is geplaatst op vier naar buiten gerichte voetjes. Het onderstel is aan weerszijden van gevleugelde sfinxen in reliëf voorzien, in een houding die herinnert aan Assyrische voorstellingen. De fabelwezens zijn in grove trekken gemodelleerd, met de vleugels zwaar aangezet en de staart opgeheven. Aan de voorzijde van het voetstuk, tussen de sfinxen, staat frontaal een leeuw met opengesperde muil en lange manen. Aan weerszijden is het onderstel doorboord. In een van de ronde gaatjes zijn de resten van een metalen pen bewaard gebleven. De achterzijde toont geen decoratie en onderstreept de frontaliteit van de voorstelling. Het object was bedoeld om van de voorzijde bekeken te worden.

De beide menselijke figuren staan op een plaat, aan de onderzijde voorzien van een pen. Via een kleine, vierkante opening in de verder gesloten bovenzijde van het onderstel verbindt deze pen het godenpaar met het onderstel. De beide figuren zijn zeer zorgvuldig weergegeven, zeker als we de minieme afmetingen in aanmerking nemen (de personen zijn nauwelijks 4 centimeter groot) en zijn vrijwel identiek aan elkaar. In houding, klederdracht en haardracht zijn nauwelijks verschillen waarneembaar tussen beide figuren. Wel is de rechter persoon wat groter en zijn diens gezichttrekken grover gemodelleerd dan die van de persoon links.

Mogelijk hebben we hier een aanwijzing dat de rechter figuur een man voorstelt en de linker een vrouw. Beide personen hebben een statische, rechte houding, de voeten staan naast elkaar, de rechterarm is gestrekt langs het lichaam en de linkerarm voor de borst. De linkerhand lijkt een staf of andersoortig attribuut vast te houden. Beiden dragen een lang gewaad, over de schouders gedrapeerd en openvallend aan de voorzijde; onder dit gewaad wordt een ander, tot de voeten reikend, kleed met korte mouwen gedragen, langs de zoom van decoratieve patronen voorzien. De rechterarmen zijn onbedekt. Het haar is gemodelleerd in parallelle, golvende lokken over het voorhoofd en reikt tot de schouder.

Opvallend aan beide figuren is hun volumineuze en gedrongen karakter, en, zeker wat betreft de rechter figuur, het overdreven grote hoofd. Deze karakteristieken zijn, met de plaatsing van het paar op een voetstuk omgeven door sfinxen en een leeuw, ongetwijfeld ontsproten aan een lokale Hettitisch-Aramese traditie, zoals onder meer blijkt uit sculpturen uit Sam’al (Zincirli). In deze opzichten herinnert het bronzen object ook aan steensculptuur uit aan de Aramese en Ammonnitische koninkrijken van onder andere Aleppo, Damascus en Amman, te dateren in de achtste eeuw v.Chr. De houding van de beide personen, de klederdracht en de haardracht daarentegen weerspiegelen Nieuw-Assyrische stijlkenmerken, en kunnen als zodanig geassocieerd worden met de expansie naar het westen van het Assyrische rijk onder koning Tiglat-pileser III, Sargon en Sanherib.

Een parallel in dit opzicht biedt het monumentale kalkstenen beeld van koning Mutallu uit Melid (Arslantepe in Zuidoost-Turkije), te dateren omstreeks 725 v.Chr. De zachte, volle gezichtstrekken van de linker persoon doen ook denken aan vrouwfiguren in steen en brons uit Assur, te dateren in de 8ste-7de eeuw v.Chr. Aan de andere kant zijn er ook parallellen te trekken naar vroegere tijd. De weergave van de dieren op het onderstel doet onmiddellijk denken aan de monumentale sfinxen- en leeuwenpoorten van de Hettitische koningsstad Hattusa (het moderne Bogazky in Noordwest-Turkije) uit de 13de eeuw v.Chr. Een ivoren bakje uit Megiddo in Israël, uit ca. 1200 v.Chr., toont eveneens aan de zijkanten gevleugelde sfinxen, in een soortgelijke positie als deze, en aan de voorzijde een leeuw, waarvan de kop met opengesperde muil en face is weergegeven, het lichaam echter en profil.

De voorwerpen | Relevante voorwerpen

Bezoek ons: