Klik nogmaals op de knop om de filters te resetten Sluiten

Parthische terracotta figuren

Nadat de Perzen in 331 v.Chr. door Alexander de Grote waren verslagen, lag het grote Achaemenidische rijk open voor de Macedoniërs. Sindsdien zijn er vele oorlogen om dit gebied gevoerd, totdat het door de koning van Parthië (het huidige Turkmenistan) tot concurrent van Rome werd uitgebouwd. Tussen 200 v.Chr. en 200 na Chr. hadden de Parthen grote invloed op de kunst van het Nabije Oosten. De benen van deze luitspeler zijn met koordjes aan het lichaam bevestigd. Het is een gedetailleerd uitgewerkt figuur gekleed in Parthische klederdracht, een geplooide broek en korte tuniek. Ook het figuurtje met het schild en de gladde mantel heeft ‘losse’ benen. Dit poppetje is echter veel minder precies uitgewerkt. Op de terracotta plaquette is een man weergegeven, eveneens in Parthische kleding, die een bloem vasthoudt. De houding van de armen is karakteristiek voor deze figuurtjes. Waarschijnlijk had deze voorstelling een rituele betekenis.

Nadat de Perzen in 331 v.Chr. door Alexander de Grote waren verslagen, lag het grote Achaemenidische rijk open voor de Macedoniërs. Sindsdien zijn er vele oorlogen om dit gebied gevoerd, totdat het door de koning van Parthië (het huidige Turkmenistan) tot concurrent van Rome werd uitgebouwd. Tussen 200 v.Chr. en 200 na Chr. hadden de Parthen grote invloed op de kunst van het Nabije Oosten. De benen van deze luitspeler zijn met koordjes aan het lichaam bevestigd. Het is een gedetailleerd uitgewerkt figuur gekleed in Parthische klederdracht, een geplooide broek en korte tuniek. Ook het figuurtje met het schild en de gladde mantel heeft ‘losse’ benen. Dit poppetje is echter veel minder precies uitgewerkt. Op de terracotta plaquette is een man weergegeven, eveneens in Parthische kleding, die een bloem vasthoudt. De houding van de armen is karakteristiek voor deze figuurtjes. Waarschijnlijk had deze voorstelling een rituele betekenis.

In 331 v.Chr. werd de Perzische koning Darius III bij Gaugamela vernietigend verslagen door Alexander de Grote. Het grote Achaemenidische rijk lag nu open voor de Macedonische legers. Susa werd geplunderd, het magnifieke Persepolis werd in de as gelegd en binnen enkele jaren werden ook de oostelijke provincies ‘gehelleniseerd’. De dood van Alexander in 323 v.Chr. leidde evenwel tot hevige strijd tussen Alexanders generaals over de verdeling van het rijk. Rond 300 v.Chr. slaagde Seleucus er uiteindelijk in om Iran, Mesopotamië en Noord-Syrië onder zijn bestuur te brengen en een dynastie te vestigen, de Seleuciden.

In het oosten was het Seleucidische bewind evenwel van korte duur. Rond 240 v.Chr. werd de verre grensprovincie Parthava/Parthië (het huidige Turkmenistan ten oosten van de Kaspische Zee) onder de voet gelopen door een ruitervolk, verwant aan de Scythen in Centraal-Azië: de Parthen. De Parthische opmars was onstuitbaar. Onder koning Mithridates I (171-138 v.Chr.) en vooral onder Mithridates II (123-87 v.Chr.) werd het rijk tot ver in oostelijke en westelijke richting uitgebouwd, om uiteindelijk een geduchte concurrent van Rome te worden.

De Parthen hebben hun sporen duidelijk achtergelaten in de kunst van het Nabije Oosten tussen de 2de eeuw v.Chr. en de 2de eeuw na Chr. Een integratie vindt plaats van inheemse tradities en invloeden uit de Grieks-Romeinse wereld, en een nieuwe vorm wordt gegeven aan bouwkunst en sculptuur. De grandeur van de Parthische kunst komt tot volle uiting in de imposante paleizen van Assur en Hatra in Irak, in het beeldhouwwerk van steden als Palmyra en Dura Europos in Syrië, en in de grafmonumenten van Nimrud Dagh in Oost-Turkije.

Parthisch in elk opzicht is het 19,3 centimeter hoge terracotta figuurtje van een man met een snaarinstrument. Net als bij vele andere Parthische figuren zijn ook hier de benen met behulp van koordjes los aan het lichaam bevestigd. Dergelijke figuurtjes in terracotta zijn bij opgravingen o.a. gevonden in Seleucia aan de Tigris. De benen en de rest van het lichaam zijn in aparte mallen vervaardigd. Aan de achterzijde van de hals is een oortje aangebracht. Blijkbaar hing het figuurtje als een pop aan de muur. De karakteristieke frontaliteit van de Parthische kunst komt ook in deze pop tot uiting: de achterzijde van het figuurtje is onbewerkt, een duidelijke aanwijzing dat de voorstelling uitsluitend bedoeld om van voren aanschouwd te worden.

De man heeft volumineus, golvend haar, dat reikt tot de schouder. De oren dragen elk een grote ring. Neus, ogen en mond zijn zorgvuldig gemodelleerd. De man houdt een soort luit vast, waarbij de kleine klankkast tegen de rechterschouder is gedrukt. De kleding bestaat uit een geplooide broek en een eveneens sterk geplooide, korte tuniek, wijd openvallend aan de voorzijde. De klederdracht doet onmiddellijk denken aan die van het levensgrote, bronzen beeld van een Parthische vorst, gevonden in een tempel in Shami in Zuidwest-Iran (mogelijk 2de eeuw n.Chr.).

Uit Anatolië stamt het rechter figuurtje, eveneens een ‘pop’ met los aangehechte benen, van een man met een rond, puntig schild in de linkerhand. De rechterhand toont een doorboring voor de bevestiging van een los (en niet bewaard gebleven) voorwerp. De man draagt een korte en gladde, klokvormige mantel. Schoeisel lijkt te ontbreken; hooguit draagt de soldaat een soort van sandalen (de tenen zijn weergegeven bij een voet). Het gezicht is vaag aangeduid en omgeven door een gladde muts of haarpartij. Op het hoofd en de rug zijn nog sporen van rode verf aanwezig.

Van Parthische origine is zeer waarschijnlijk ook de terracotta plaquette met een persoon met lange mantel. Helaas ontbreekt het hoofd. Compleet bewaarde en vrijwel identieke voorstellingen geven echter aan dat hier een mannelijk hoofd met baard of snor gedacht moet worden, bedekt met een soort van bivakmuts. Karakteristiek voor deze mutsen is dat behalve het haar ook de oren en de kin zijn omsloten, en dat ze aan de bovenzijde eindigen in een naar voren of achteren overhangende, bolle punt. Dit soort mutsen lijken al voor te komen in Achaemenidische tijd (5de en 4de eeuw v.Chr.), zoals wordt aangetoond door een afbeelding op een gouden reliëf uit Turkmenistan, toebehorend aan de ‘Oxus Treasure’, een schat aan kostbaar metaalwerk gevonden in 1877 langs de Oxus-rivier en nu te bezichtigen in het British Museum in Londen.

De kleding van de man op deze plaquette is daarentegen geheel Parthisch. Net als de luitspeler draagt de man een sterk geplooide broek en tunica, die ook de armen bedekt. Om het middel bevindt zich een gordel, waarvan de puntig eindigende kwasten symmetrisch en in het midden neerhangen. Over de schouders is een lange mantel geslagen, die tot op de voeten reikt. Karakteristiek voor dit soort figuurtjes is ook de houding van de armen. De linkerarm is omlaag gericht en stijf tegen het lichaam gedrukt; de hand omklemt een afgerond, niet nader te identificeren voorwerp. De rechterarm is voor de borst gevouwen, waarbij de hand een bloem vasthoudt.

Deze figuur werd gemaakt in een mal en lijkt als zodanig een in serie vervaardigd product te zijn. Ook de gebruikte grondstof suggereert dat dergelijke plaquettes nauwelijks een intrinsieke waarde hadden. Zeer waarschijnlijk moet aan de voorstelling een rituele betekenis worden toegekend. Identieke voorstellingen in terracotta, brons of zilver zijn gevonden in Iran, Mesopotamië en Zuidoost-Turkije. Sommigen werden los aangetroffen in graven en in woonhuizen, anderen lijken een onderdeel van een staf of standaard gevormd te hebben. Figuren in soortgelijke positie, en met een bloem in de rechterhand, komen al voor in Achaemenidische tijd en illustreren de integratie van oudere tradities in de Parthische ideeënwereld.

De voorwerpen | Relevante voorwerpen

Bezoek ons: