Klik nogmaals op de knop om de filters te resetten Sluiten

Nederland in de middeleeuwen

Over de middeleeuwen (ca. 400-1500 na Chr.) heersen veel misverstanden en vooroordelen. Het zou bijvoorbeeld een tijd van onrust en verval zijn, na de ondergang van het Romeinse Rijk: de ‘donkere middeleeuwen’. In werkelijkheid was het een tijd van voortgaande beschaving. Archeologen en historici beschouwen de vroege middeleeuwen nu zelfs als een van de rijkste periodes uit de Nederlandse geschiedenis, met een uitgebreid handelsnetwerk, sterke koningen, relatief gezonde mensen, fraaie manuscripten en indrukwekkende kunst.

J.H. Isings

De geschiedenis van de middeleeuwen was bij de Nederlandse schilder/tekenaar J.H. Isings (1884-1977) in goede handen. Hij maakte schoolplaten van belangrijke historische gebeurtenissen, die een onuitwisbare indruk zouden achterlaten bij kinderen van achtereenvolgende generaties. Dat geldt bijvoorbeeld voor zijn plaat over de aanval van de Noormannen in 834 op Dorestad, een belangrijke handelspost in de achtste en negende eeuw ter hoogte van het huidige Wijk bij Duurstede. We zien een Vikingschip met een loopplank waarop een Noorman staat te kijken hoe Dorestad in een hel van vuur ten onder gaat. Het is een prent met een grote dramatische kracht. Isings maakte ook schoolplaten over de intocht van bisschop Willibrord in 695 in de stad Utrecht, van een klooster (1394), de gevangenneming van graaf Floris V (1296), een middeleeuwse stad, een bruiloft in de Ridderzaal (1394) en Jacoba van Beieren tijdens het beleg van Gorinchem in 1417.

Vooroordelen

Hoewel zijn schoolplaten bij menig telg van de oudere generatie nog in het geheugen gegrift staan, is de kennis over de middeleeuwen bij het grote publiek nooit erg groot geweest. Vooral over de vroege middeleeuwen (400-1000 na Chr.) heersen er volgens historici en archeologen nog steeds veel misverstanden en vooroordelen. Zoals: na de ondergang van het Romeinse Rijk (400 na Chr.) zou er een tijd van onrust en verval zijn aangebroken (de ‘donkere middeleeuwen’); het Europese continent zou in een zwart gat zijn gevallen waarbij alles verloren zou zijn gegaan, zoals kennis, vaardigheden, luxe, wegen, woonplaatsen; ongeveer tezelfdertijd zouden hele bevolkingsgroepen op drift zijn geraakt en naar andere oorden zijn getrokken om zich te verzekeren van een veilig bestaan (de ‘grote volksverhuizingen’); bovendien zouden er weinig of geen geschreven bronnen uit die periode zijn nagelaten.

Humanisten

Waar komen al die misverstanden vandaan? Voor een deel hebben ze te maken met de term middel-eeuwen die vijftiende-eeuwse humanisten gebruikten om de tijd te markeren tussen twee hoogtijperiodes in: die van het Romeinse Rijk en hun eigen Renaissance, de wedergeboorte van de klassieke oudheid. Zij probeerden de betekenis van de Renaissance en de cultuur van de klassieke oudheid extra glans te geven door de (vroege) middeleeuwen voor te stellen als een periode van onttakeling, ‘onbeschaving’ en onwetendheid. In werkelijkheid gingen de ontwikkelingen van weleer tijdens de middeleeuwen gewoon door. Het was een tijd van voortgaande beschaving. Archeologen en historici beschouwen de vroege middeleeuwen inmiddels zelfs als een van de rijkste periodes uit de Nederlandse geschiedenis, met een uitgebreid handelsnetwerk, sterke koningen, relatief gezonde mensen, fraaie manuscripten en indrukwekkende kunst.

Grafvelden

De mythe over de Grote Volksverhuizingen wordt onder andere ontzenuwd door omvangrijke teruggevonden grafvelden die in de vroege middeleeuwen lang in gebruik zijn geweest. Een treffend voorbeeld is Rhenen, waar meer dan 1.100 graven zijn blootgelegd die bijna vier eeuwen en twintig generaties omspannen. Daar was dus niemand aan het volksverhuizen, daar klopt het beeld van een onrustige periode dus ook niet. In plaats van Grote Volksverhuizingen lijkt het waarschijnlijker dat mensen zich steeds aan het hergroeperen waren en zo met andere culturen in aanraking kwamen. Bovendien kozen ze telkens voor plaatsen waar al eerder mensen hadden gewoond. Er bleven altijd meer mensen achter dan er vertrokken.

Potten met geld of goud

Zowel op de terpen in Noord-Nederland als bij de Romeinse legerplaatsen (castellas) en villa’s in het westen en het zuiden zien we dat terug. Daar is sprake van voortdurende bewoning, van de prehistorie en/of Romeinse tijd tot in de middeleeuwen. Typische vondsten uit de vroege middeleeuwen zijn potten met geld en goud (sieraden), die mogelijk als offer in de grond zijn gestopt of in het water zijn gelegd. In Nederland zijn daar indrukwekkende voorbeelden van gevonden. Archeologen beschouwen de vroege middeleeuwen dan ook als dé tijd van het goud.

Broches

In Nederland zijn de afgelopen vijfentwintig jaar vroegmiddeleeuwse nederzettingen opgegraven waaruit kan worden afgeleid dat dorpen in die tijd welvarender waren dan we tot voor kort dachten. In Oegstgeest bijvoorbeeld, zijn tientallen meters houten kade teruggevonden die getuigen van een uitgebreide infrastructuur. Elders zijn broches (fibulae) opgegraven die met rood granaat (een soort kristal) uit India waren afgezet, wat erop duidt dat zelfs kleine dorpen in de Lage Landen deel uitmaakten van een uitgebreid handelsnetwerk. In de (populaire) geschiedschrijving is dit stelselmatig onderschat.

Tijdvakken

In de officiële canon voor het onderwijs zijn de middeleeuwen in twee tijdvakken opgedeeld:

Op de tijdbalk van het Rijksmuseum van Oudheden ziet de indeling in periodes er als volgt uit: Romeinse erfenis, Paarden en zwaarden, Kerken en burchten, Vikingen, Machtscentra, Ordes en gildes.

Romeinse erfenis

Bij hun vertrek uit Nederland in de derde eeuw na Chr. lieten de Romeinen in het zuiden en westen van het land een effectief wegennet, mijlpalen, grafmonumenten en tempels achter. Hun netwerk van wegen en vestigingsplaatsen vormde de basisstructuur van middeleeuws Nederland. In de vierde en vijfde eeuw zien we hoe mensen zich aan het hergroeperen zijn en hoe hun materiële cultuur wordt bepaald of beïnvloed door hun contacten (en niet door etniciteit). In nederzettingen en op begraafplaatsen zijn ‘vreemde voorwerpen’ gevonden – aardewerk, geld – die daarop duiden. We zien ook hoe de erfenis van de Romeinen wordt verwerkt: Romeinse gouden munten worden omgevormd tot sieraden. Met het oude worden nieuwe dingen gedaan. Dat zien we onder andere terug in Gennep waar in die periode een proces van grootschalige metaalbewerking op gang komt.

Paarden en zwaarden

In de zesde en zevende eeuw worden de diverse groepen in Nederland geleidelijk onderdeel van grotere machtsstructuren. Het zuiden wordt deel van het grote Merovingische koninkrijk, waarvan de kern in Noord-Frankrijk ligt. In het noorden zijn de nederzettingen onderdeel van kleine Friese koninkrijken. Het is niet zeker of de mensen zelf zich ergens bij vonden horen, maar het is wel opvallend dat er in die tijd een eenvormige materiële cultuur ontstaat. Dat geldt trouwens voor een groot deel van Noordwest-Europa. In de samenleving zelf ontstaat meer hiërarchie en verschijnt er een herkenbare elite met paarden en zwaarden. Hun machtsvertoon zien we weerspiegeld in de sieraden en wapens die ze in hun graf meekregen. Vaak werden de doden op andere plaatsen begraven dan waar de mensen woonden. De meeste informatie over deze tijd komt van de Merovingische grafvelden in de duinen of de stuwwallen. Het zijn grote grafvelden die een betrekkelijke rust in de samenleving laten zien en een zekere gehechtheid aan de plaats waar eeuwenlang is gewoond. Dat is de basis van waaruit nederzettingen contact met elkaar onderhouden en Europese netwerken vormen waar niet alleen goederen, maar ook ideeën worden uitgewisseld. Het is deze periode waarin Nederland voor het eerst in aanraking komt met het christendom.

Kerken en burchten

In de achtste en negende eeuw gebruiken Frankische koningen en Karolingische keizers het christendom en hun netwerken om hun rijk te vormen en te besturen. Ze stichten kerken en burchten in de buurt van oude Romeinse bebouwing, die zij, opvolgers van Romeinse heersers, als hun eigendom beschouwen. Ook in hun administratie, geldeconomie, kunst en wetenschap grijpen ze terug op oude (Romeinse) voorbeelden. Door deze Karolingische renaissance ontstaat er een min of meer eenduidig vroegmiddeleeuws Europa. Het is een vrij rustige periode waarin boeken worden geschreven en versierd, en glaskunst en edelsmeedwerk een hoogtepunt bereiken.

Vikingen

Dorestad, de noordelijkste, centrale handelspost (emporium) van het Karolingische rijk op de plaats van het huidige Wijk bij Duurstede, groeit uit tot een knooppunt van internationale handel, uitwisseling, confrontatie en bekering. Dat trekt ook de aandacht van de Vikingen die vanaf 810 de Nederlandse kusten teisteren, hun schepen de rivieren op sturen en Europa terroriseren (zie ook Isings). De vondst van twee Vikingschatten op Wieringen toont aan dat sommige van hen zich hier ook tijdelijk vestigden. De Scandinaviërs treffen een christelijk Nederland aan. Op de kerkhoven liggen doden zonder grafgiften met hun gezicht naar het oosten met zicht op het paradijs.

Machtscentra

In de loop van de tiende, elfde en twaalfde eeuw vestigt de bevolking zich steeds meer rondom centra van wereldlijke of kerkelijke macht vanwege de bescherming en infrastructuur die ze daar vindt. Kastelen, kerken en kloosters vormen het middelpunt. Zij ontwikkelen zich tot centra van cultuur, literatuur en muziek, onderwijs en handel. De populatie bestaat onder anderen uit ridders, nonnen, monniken, vissers, smeden, boeren, akkerbewerksters, vroedvrouwen, huishoudsters, werkende en schoolgaande kinderen, pelgrims en bedelaars. Het land rondom belangrijke plaatsen wordt overzichtelijk ingedeeld en in cultuur gebracht. Uiteindelijk zullen daar (meer) dorpen en steden verrijzen. De steden werken samen met machthebbers, zoals de Hollandse graven, om privileges te verkrijgen. Sommige plaatsen concentreren zich op een specifiek productieproces, zoals de grootschalige pottenbakkersindustrie in het Limburgse Brunssum-Schinveld. Het is bij uitstek de periode van de riddercultuur, en ook de periode waarin het landschap verandert. Voor het eerst worden grote gebieden ingepolderd.

Ordes en gildes

In de dertiende, veertiende en vijftiende eeuw komen de steden en hun burgerlijke samenleving in Nederland tot volle bloei. Steden en dorpen bepalen hun plaats in politieke, commerciële en culturele netwerken. De bevolking groeit. Er ontstaat een verregaande specialisatie en differentiatie tussen steden onderling, maar ook in de plaatsen zelf. In Dordrecht bijvoorbeeld heeft elke orde haar eigen klooster, elk gilde zijn eigen hoofdkwartier en sommigen een eigen ziekenhuis. Verdedigingswerken worden opgetrokken om zaken binnen of buiten te houden. Tussen steden en groepen wordt onderling strijd gevoerd en worden geschillen beslecht of berecht. Er komen gespecialiseerde voorzieningen van de grond voor mannen, vrouwen, kinderen, ouderen, armen, zieken, wezen en zelfs dieren. Wijken en huizen krijgen een eigen karakter. Woonplaatsen worden ingewikkelder. Straatnamen, huisnamen en plattegronden zijn nodig om de weg te vinden. Er worden regels ingevoerd om het leven tot in detail te organiseren.

Staartje middeleeuwen

De zestiende eeuw is tweebenig, met een staartje van de middeleeuwen en de opmaat tot de Gouden Eeuw. Het is de eeuw waarin de Renaissance in Nederland voet aan de grond krijgt en de natie haar eigen verleden construeert. Tezelfdertijd ontdekt Europa de rest van de wereld. De Opstand of Tachtigjarige Oorlog vormt de overgang van de middeleeuwen naar de moderne tijd.


De teksten die met deze inleiding samenhangen, gaan hoofdzakelijk over de vroege middeleeuwen in Nederland. In het Rijksmuseum van Oudheden zijn de meeste middeleeuwse voorwerpen uit die periode afkomstig.

Nederland in de middeleeuwen | Voorwerpen

Tik of klik op de voorwerpen voor meer informatie.

Bezoek ons: