Economie

Omstreeks de 9de en 8ste eeuw v.Chr. beleefde het Griekse vasteland een economische opleving en een sterke bevolkingsgroei als gevolg van een uitdijende, kleinschalige landbouw. De oude Grieken hielden zich ook intensief bezig met handel en nijverheid. Daarbij maakten ze dankbaar gebruik van de kennis die voorhanden was in Voor-Azië (Syrië, Mesopotamië). Vrouwen speelden in de economie een belangrijke rol.

Verbeteringen

Landbouw was voor de oude Grieken het voornaamste middel van bestaan. Het was een betrekkelijk bescheiden bedrijfstak die in de eerste helft van het 1ste millennium v.Chr. tot ontwikkeling kwam door de komst van onder meer een verbeterde tarwesoort, de wijnstok en de tamme olijf. De Grieken importeerden ook vruchtbomen uit Voor-Azië en profiteerden van de kennis die in dat deel van de wereld voorhanden was, bijvoorbeeld om te leren hoe ze moesten enten. Een en ander leidde in de 9de en 8ste eeuw v.Chr. tot een economische opleving en een sterke bevolkingsgroei.

Groter landbouwareaal

De landbouwmethoden waren primitief. De productie kon eigenlijk alleen worden uitgebreid door vergroting van het landbouwareaal. Zo verschenen er steeds meer nederzettingen in gebieden die voordien spaarzaam werden bewoond, zoals in de regio Attica rond het centrum Athene. Tezelfdertijd kwam ook de migratie van Grieken op gang naar buitengebieden rond de Middellandse Zee.

Landarbeid

Het werk op het land werd verricht door de grondeigenaar of door pachters of horigen die van hem afhankelijk waren. In drukke tijden, vooral bij de oogst, werden extra arbeiders ingeschakeld of werd het werk tussen families en buren verdeeld. Grootschalige slavenarbeid kwam in de landbouw in die tijd niet voor. De inzet van tot slaaf gemaakte mensen was ook niet winstgevend, omdat het werk op het land over het algemeen niet erg arbeidsintensief was.

Van veeteelt naar akkerbouw

Rond 750 v.Chr. was de veeteelt (geiten, schapen en varkens) nog overheersend. Het eten van vlees was in die tijd ook normaal, als we de geschriften van Homerus mogen geloven. De bevolkingsgroei in de 8ste eeuw v.Chr. bracht daar verandering in. Weidegronden werden omgezet in akkerland en de veeteelt verdween in de marge. Het bezit van akkerland werd de voornaamste bron van rijkdom in gebieden met landbouw, maar het bezit van land was ongelijk verdeeld. Het verschil tussen arme boeren en rijke grootgrondbezitters werd dikwijls bepaald door erfdeling en vererving in families.

Nijverheid

De nijverheid in het oude Griekenland was net als de landbouw omstreeks de 9de en 8ste eeuw v.Chr. kleinschalig. Pottenbakkers, smeden, timmerlieden, leerlooiers en andere ambachtslieden werkten in kleine werkplaatsen, al dan niet bijgestaan door familieleden of tot slaaf gemaakte arbeidskrachten. In de Griekse buitengebieden met grote bevolkingsconcentraties waren ambachtslieden vaak op een bepaald gebied gespecialiseerd, maar in de gemeenschappen (poleis) in Griekenland zelf kon maar een beperkt aantal personen van niet-agrarische arbeid leven. Een groot deel van de productie werd verricht door vrouwen, zoals wolbewerking, weven en spinnen.

De vrouw als spil

Vrouwen vervulden een belangrijke rol in de bedrijvigheid van de Grieken. Zij waren verantwoordelijk voor de verdeling van arbeid en middelen in het gezin. Daarmee komen we op het Griekse woord oikonomia, waarvan het woord ‘economie’ is afgeleid. Onder ‘economie’ verstaan wij de verdeling van producten en diensten. Oikonomia betekent letterlijk ‘huishoudregels’. In de Griekse oudheid leek het begrip ‘economische bedrijvigheid’ dus voor een belangrijk deel betrekking te hebben op het huishouden (oikos betekent ‘huis’ of ‘huishouden’).

Partnerschap

In zijn boek Oikonomikos (Huishoudkunst) uit begin 5de eeuw v.Chr. schetst de Griekse schrijver, militair en historicus Xenophon een positief beeld van de huishoudelijke taken van de vrouw: zij is niet de stereotiepe huissloof die onderworpen zou zijn aan de wil van de man, maar ze is onderdeel van een partnerschap, van een systeem dat erop gericht is om het werk en de huishoudelijke taken goed te verdelen.

Handel

Handel kwam in het oude Griekenland op allerlei niveaus voor. Handel was wat de landbouwer deed met zijn producten op de markt of wat de ambachtsman in zijn werkplaats verkocht aan zijn klanten. Handel was ook het vervoer van producten overzee. De handelaren die dat deden, waren meestal niet onbemiddeld. Zij konden een schip toerusten voor een lange reis en het vaartuig bemannen met tientallen roeiers. Ze vervoerden brons, ijzer, edelmetaal, ivoor, vaatwerk en ook mensen die tot slaaf waren gemaakt, geroofd of gekocht.

Ondernemingen

Tijdens de economische opleving in de 9de en 8ste eeuw v.Chr. liet de eigenaar van het schip de overzeese handel steeds meer aan anderen over. De Grieken beschikten over ondernemingen die de handel tussen het moederland en de koloniën in het buitenland bevorderden, al is het niet duidelijk hoe groot de bijdrage daarvan aan de totale economie is geweest.

Korinthe

In de 7de en een groot deel van de 6de eeuw v.Chr. was Korinthe toonaangevend op het gebied van handel en nijverheid. Op veel plaatsen langs de Middellandse Zee is Korinthisch aardewerk gevonden. In de loop van de 6de eeuw v.Chr. werden de Korinthische producten verdrongen door zwartfigurig aardewerk uit Athene: vazen en andere artikelen met zwarte figuren tegen een rode achtergrond (later werden dat rode figuren tegen een zwarte achtergrond). Net als de Korinthische producten was dit aardewerk een luxeartikel dat door gespecialiseerde pottenbakkers werd gemaakt voor de export. Geschat wordt dat er aan het eind van de 6de eeuw v.Chr. in Athene zo’n tweehonderd personen bij de productie van keramiek betrokken waren. Samen met andere ambachten, zoals textiel- en bronsbewerking, vormde dit naast de landbouwsector een bescheiden aandeel in de totale economie.

Graanimport

In de 6de eeuw v.Chr. importeerde Griekenland incidenteel graan uit Sicilië en uit de Griekse kolonies langs de Zwarte Zee. Omgekeerd werden er wel met een vaste regelmaat wijnen en olijfolie geëxporteerd naar onder andere de kusten van Frankrijk en Spanje en de noordkust van de Zwarte Zee.

Munten

De invoering van een muntstelsel bevorderde de handel overzee, zoals het dat eerder had gedaan voor het naburige koninkrijk Lydië (nu grotendeels Turkije). Tijdens het bewind van de Lydische koning Croesos (ca. 560-547 v.Chr.) zouden de eerste munten ter wereld zijn geslagen. Het materiaal bestond uit electrum, een legering van goud en zilver. Croesos stond bij de Grieken bekend als een puissant rijke vorst en ook als een weldoener omdat hij hun de grote Tempel van Artemis in Efeze had geschonken.

Symbolen

Rond het begin van de 6de eeuw v.Chr. werd in Griekenland de zilveren drachme geïntroduceerd. Dit muntstuk, en vooral de tetradrachme (4 drachmen), werd op grote schaal gebruikt voor de handel in het Middellandse Zeegebied. De afbeelding op de munt kon sterk verschillen. Tal van steden en koloniën hadden een eigen symbool. De eerste zilveren en latere gouden munten die door de Griekse gemeenschappen werden geslagen, waren evenveel waard als hun gewicht. Algauw kwam het besef dat er aan een munt een grotere waarde kon worden toegekend dan wat het metaal waard was. Bovendien konden ze een belangrijke symbolische waarde hebben als drager van motieven en boodschappen met een politieke en staatkundige betekenis. Dat zou vertrouwen wekken in hun waardevastheid.

Atheense munt

De munten van Athene zijn eeuwenlang vrijwel onveranderd gebleven en tot in de verste uithoeken van de oude Griekse wereld teruggevonden. Dat kwam niet alleen doordat Athene een groot handelsgebied bestreek, het had ook te maken met de vele militaire expedities die de stadstaat tot ver over de landsgrenzen ondernam. Die werden met de eigen munt betaald. Athene had bovendien bepaald dat sommige handelscontacten alleen met de Atheense munt mochten worden beklonken.

Alexander de Grote

Alexander de Grote gebruikte het muntstelsel om ontzag af te dwingen in gebieden die hij had veroverd. Zo bracht hij in Bactrië en Arachosië (nu allebei Afghanistan) munten uit terwijl de plaatselijke economieën geen monetair stelsel kenden. Zo legitimeerde hij zijn veroveringen en zijn macht. Een bijkomende, hem welgevallige factor was dat hij na zijn verovering van Perzië in de jaren dertig van de 3de eeuw v.Chr. over enorme voorraden edelmetaal kon beschikken.

Sparta

Niet alle Griekse steden namen het gebruik van munten overigens snel over. Sparta wachtte ermee tot de 3de eeuw v.Chr. en in de Griekse koloniën in Italië hield de bevolking nog tot in de Romeinse tijd vast aan het systeem van metalen baren waarvan de waarde overeenkwam met het gewicht.

Slavernij

In de Griekse landbouw kwam slavernij over het algemeen weinig voor. In de handel en nijverheid werden wel tot slaaf gemaakte arbeidskrachten gebruikt, maar ook daar gebeurde dat op beperkte schaal. Vóór de 5de eeuw v.Chr. was het bezit van tot slaaf gemaakten voornamelijk een statussymbool. Zij fungeerden als persoonlijke bedienden in de huishouding van rijke grondeigenaren en als bijvrouw. Handenarbeid werd als vanzelfsprekend geassocieerd met slavenarbeid, een mentaliteit die uiteindelijk door steeds meer vrije burgers werd overgenomen.

Minderwaardig

Tot slaaf gemaakte arbeidskrachten werkten op verschillende plekken waar bedrijvigheid heerste. Ze werden als minderwaardige wezens beschouwd, als ‘levend eigendomsvoorwerp’ (Aristoteles), een diersoort waarmee je als eigenaar kon doen en laten wat je wilde. Soms werden tot slaaf gemaakten vrijgelaten of konden ze zichzelf vrijkopen, afhankelijk van de eigenaar voor wie ze moesten werken. De scheidslijn tussen slaaf en vrij zijn was overigens niet altijd duidelijk. Er waren groepen van mensen die niet als slaaf werden beschouwd, maar wel slavenarbeid verrichtten en niet waren opgenomen in de burgersamenleving van de polis (gemeenschap). Dit deed zich bijvoorbeeld voor in Sparta, waar de ‘onderklasse’ van de heloten dat lot moesten ondergaan.