Inleiding: de Etrusken

Over de Etrusken is betrekkelijk weinig bekend. Mogelijk behoorden ze tot de Italische volken die zich rond de 11de of 12de eeuw v.Chr. in Italiƫ vestigden. Eeuwen later vormden ze een machtige staat, maar uiteindelijk werden ze overvleugeld door de Romeinen. Opmerkelijk is dat wetenschappers hun taal en cultuur nog steeds niet helemaal hebben kunnen doorgronden.

Oorsprong

De Etrusken waren een bijzonder volk. Ze onderscheidden zich in verschillende opzichten van andere Italische volken die tegen het einde van het 2de millennium v.Chr. neerstreken in ItaliĆ«. Mogelijk zijn ze in afzonderlijke etnische groepen in de 12de of 11de eeuw v.Chr. vanuit de EgeĆÆsche regio in het oosten naar EtruriĆ« getrokken, een gebied dat nu ongeveer overeenkomt met Toscane, een deel van UmbriĆ« en Latium (Midden-ItaliĆ«). Door een vermenging van culturen moet zich daar een Etruskische beschaving hebben gevormd.

Tekst en taal

Veel informatie over de Etrusken is er niet. In de Romeinse tijd zijn talrijke geschriften over hun doen en laten verloren gegaan. Wetenschappers zijn aangewezen op losse berichten van antieke Griekse en Romeinse auteurs, maar moeten het vooral hebben van archeologisch onderzoek, tot nu toe de belangrijkste bron van de Etruskische geschiedenis. Een bijkomend probleem is dat de taal van de Etrusken overwegend niet-Indo-Europees was en afweek van de Indo-Europese talen die nu worden gesproken en waartoe ook onze taal behoort. Beide taalfamilies gaan terug tot in de verre oudheid, maar uiteindelijk is de taal van de Etrusken verdrongen door het Latijn van Rome, waardoor waarschijnlijk veel informatie is verdwenen.

Villanova

Algemeen wordt aangenomen dat de Etruskische beschaving is geworteld in de zogenoemde villanova-cultuur (circa 900-700 v.Chr.), een uitvloeisel van de vroegere brons- en ijzertijdcultuur en zo genoemd naar het dorpje Villanova bij Bologna. In dit plaatsje zijn de eerste vondsten gedaan die in verband konden worden gebracht met de Etrusken, waaronder biconische urnen (symbool van het menselijk lichaam) die in de 10de tot de 8ste eeuw v.Chr. werden gebruikt voor begrafenisdoeleinden in Etruriƫ. Ook in het noorden en zuiden van Italiƫ, onder andere langs de Golf van Napels, zijn elementen van de villanova-cultuur opgegraven.

Expansie

Een en ander duidt erop dat de Etrusken al in de 9de eeuw v.Chr. hun gebied aan het uitbreiden waren. In de eeuwen daarna zetten zij hun expansie voort. Dorpjes groeiden uit tot steden. EtruriĆ« ontwikkelde zich naast de Griekse koloniĆ«n tot het belangrijkste gebied van het archaĆÆsche ItaliĆ«, door zā€™n snelle ontwikkeling, zā€™n omvangrijke territorium en samenhangende culturele uitingen.

Steden

In de 9de tot de 7de eeuw v.Chr. behoorden de nieuw gevormde Etruskische steden tot de grootste en rijkste van ItaliĆ« en het Middellandse Zeegebied. Zoals: Veii, Caere (Cerveteri), Tarquinia, Vulci, Volterra, Volsinii (nu Orvieto), Chiusi, Perugia, Cortona en Arezzo. Niet alleen daar, maar ook in de talrijke kleinere centra en meer geĆÆsoleerde plaatsen zijn indrukwekkende grafmonumenten gevonden, die duiden op het ontstaan van een rijke landadel.

Invloed uit het oosten

In de 7de eeuw v.Chr. begonnen zich na de villanova-cultuur in hele gebied oosterse invloeden af te tekenen die leidden tot de zogenoemde oriƫntaliserende beschaving. We zien dat terug in de grote hoeveelheid oosterse voorwerpen die in Etruriƫ is gevonden. Goud en ivoor, en fijn bewerkte kunstvoorwerpen waren uit de Oriƫnt afkomstig: bronzen objecten uit Klein-Aziƫ, faience (met wit en blauw glazuur bedekt aardewerk) uit Egypte, zilveren en vergulde schalen uit Syriƫ en Cyprus, en luxe-aardewerk uit Griekenland. Onder invloed van deze oosterse producten bereikten lokale kunstenaars grote hoogten in de bronsbewerking, de edelsmeedkunst en het graveren van edelstenen.

Mijnbouw

De economische groei en de daarmee samenhangende culturele ontwikkeling werden gevoed door de rijke mijnbouw in de noordelijke kuststrook van EtruriĆ« – de gebieden rondom Populonia en Vetulonia, inclusief het eiland Elba, en het zogenoemde Ertsgebergte (Colline Metallifere), waar ijzer, koper en zilverhoudend lood werden gedolven. Ook in het zuiden werd ijzer gewonnen. De internationale vraag naar metalen resulteerde in een groot aantal ondernemers, technici en arbeiders. Zo werd EtruriĆ« een machtige handelsnatie met belangrijke contacten in en buiten ItaliĆ«, die standhield tot en met de 6de eeuw v.Chr.

Zeemacht

Een ander aspect van de groei en bloei was dat internationaal opererende handelaren, voornamelijk Griekse kolonisten, belangstelling kregen voor de welvarende Etruskische gebieden. Dit noopte de Etrusken tot de vorming van een omvangrijke zeemacht, waardoor ze de absolute heerschappij verkregen over de zeeĆ«n rondom de Italische laars.Ā De Etruskische aanwezigheid op zee moet al vroeg zijn begonnen. Wetenschappers denken dat dit vanaf de villanova-periode het geval moet zijn geweest. Over die tijd is uit de overlevering bekend dat Etruskische zeerovers actief waren bij SiciliĆ« nog voordat de Griekse kolonisten daar hun gezag lieten gelden.

Krijgsmacht

In het leven van de Etrusken was oorlogvoering nooit ver weg. Ze beschikten, ook op het land, over een goed uitgeruste krijgsmacht waarvoor ze zich sterk hadden laten beĆÆnvloeden door de Grieken. In de 6de eeuw v.Chr. namen ze bijvoorbeeld de zware Griekse wapenuitrusting over en volgden ze de Helleense tactiek van de falanx, een gesloten infanterieformatie met lange lansen, metalen helmen en grote schilden. Met hun indrukwekkende leger wisten de Etrusken grote delen van ItaliĆ« onder hun heerschappij te brengen, zoals in de 6de eeuw v.Chr. een groot deel van de Povlakte, net als de vruchtbare vlakte van CampaniĆ« bij de Golf van Napels. Een en ander bracht de Etrusken in conflict met de Grieken en de Latijnen in Midden-ItaliĆ«. Ze vochten dit in oorlogen uit en leverden ook slag met de Carthagers en de PhoccaeĆ«rs. Gewapende conflicten om de verdeling van invloedssferen volgden elkaar voortdurend op.

Koninklijke steden

De Etruskische expansie was niet ingegeven door een centraal geleide politiek. Een nationale politieke eenheid ontbrak. De Etruskische steden, veelal met een samenleving die verdeeld was in een heersende bovenlaag en onderworpen horigen, werden tot ongeveer de 5de eeuw v.Chr. geregeerd door koningen. De aard van het bestuur was oligarchisch, al schijnt het bestuurlijke systeem nadien wel democratischer te zijn geworden.

Bondgenoten

Elke stad was politiek zelfstandig. Wel waren er onderlinge contacten, bijvoorbeeld bij de verering van een gemeenschappelijk heiligdom. Bovendien hadden de Etrusken zich verenigd in een bondgenootschap van (aanvankelijk) twaalf steden dat in tijden van oorlog in actie kwam om hun gemeenschappelijke belangen veilig te stellen.

Fundament voor Rome

Omstreeks dezelfde tijd, begin 6de eeuw v.Chr., legden de Etrusken het fundament voor de stad die nu Rome heet. De stad kwam onder Etruskisch bestuur met de troonsbestijging van Lucius Tarquinius Priscus uit Tarquinia. Hij liet een grote tempel bouwen op de heuvel van het Capitool en stichtte een centraal stadsplein: het Forum Romanum. Op de heuvels rondom dit plein verrezen woningen en werden straten geplaveid, zodat er een volwaardige stad ontstond.

Republiek

Gaandeweg de Etruskische overheersing, met koningen die elkaar onbelemmerd konden opvolgen, begonnen de plaatselijke Etruskische aristocraten te morren over het autoritaire gezag van de monarchen. Het tirannieke gedrag en de overdreven pracht en praal van de laatste Etruskische koning, Tarquinius Superbus (Tarquinius de Trotse), was voor de edellieden de druppel die de emmer deed overlopen. In 510 v.Chr. verdreven ze de koning naar verluidt met geweld uit de stad en maakten ze korte metten met het Etruskische vorstendom.Ā Zo werd het begin van de aristocratische Romeinse republiek ingeluid, al zou het nog enkele eeuwen duren voordat de Romeinen de Italische volken aan hun regime hadden onderworpen.

Terugtrekking

Met de machtswisseling in Rome verloren de Etrusken omstreeks 500 v.Chr. ook hun greep op andere gebieden, vooral aan de kust. Ze raakten hun invloed kwijt in Latium (Midden-Italiƫ) en werden door de Grieken uit Campaniƫ verdreven. In Rome lieten ze wel hun sporen na, onder meer door hun religieuze gebruiken en goddelijke tekenen, en door hun bijdrage aan het Romeinse (Latijnse) alfabet, dat via Rome uiteindelijk het moderne alfabet zou worden.

Bloeiend binnenland

In de 5de en 4de eeuw v.Chr. verplaatsten de politieke en economische belangen van Etruriƫ zich van de kustgebieden naar het binnenland. Het noordelijk deel maakte een dynamische ontwikkeling door. De lokale bevolking, waaronder de Venetiƫrs en de inwoners van de Alpen, nam het schrift van de Etrusken en een deel van hun cultuur over en de handel in Italische producten kreeg een krachtige impuls die tot in Centraal- en Noord-Europa reikte.

Onrust en conflicten

Maar de welvaart duurde niet lang. In het zuiden werd Etruriƫ belaagd door oprukkende Umbriƫrs en in het noorden en westen door de Galliƫrs. Dit leidde tot een sfeer van onrust en conflicten, wat een negatieve weerslag had op de economische en culturele ontwikkeling van het land. Daarbij kwam dat de Etrusken steeds meer te lijden hadden van de expansieve politiek van Rome. Tijdens de Samnitische oorlogen in de 4de en 3de eeuw v.Chr. kozen de Etrusken de kant van de Samnieten tegen Rome, wat dramatische gevolgen had.

Ten onder

Uiteindelijk was het Rome dat in de 3de eeuw v.Chr. vrijwel het hele schiereiland, inclusief Etruriƫ, aan zijn gezag had onderworpen. In de daaropvolgende eeuwen deden zich nog tal van veld- en zeeslagen voor, waarbij de Etrusken zich samen met andere Italische volken tegen Rome keerden. Maar in de 1ste eeuw v.Chr. was het gedaan. De Romeinen versterkten hun greep op heel Italiƫ, waardoor de resterende sociale, culturele en taalkundige tradities van de Italische volken vrijwel volledig verloren gingen. Dit betekende het einde van de Etruskische wereld.

Beeld jongen met eend

Etruskisch beeldje van een jongetje met een eend