Klik nogmaals op de knop om de filters te resetten Sluiten

Pir Hoebe

Wie het kleine niet eert…: Kleine details van grote tradities (uit het laat-paleolithicum)
Hoe onderscheiden we prehistorische jager-verzamelaar tradities? Vaak kijken archeologen naar verschillen in veronderstelde stijl in de materiële cultuur (typologie). Daarbij kunnen echter moeilijkheden optreden: er bestaat bijvoorbeeld vaak overlap tussen typologische vormen, er zijn daarnaast vaak assemblages waarin verscheidene typen samen voorkomen, en tenslotte is het niet zonder meer duidelijk of een vormverschil te maken heeft met stijl of functie. Onderzoek naar de manier waarop vuurstenen artefacten werden gemaakt (vuursteentechnologie) biedt echter een meer omvattend perspectief op traditie. Dit onderzoek is gericht op de vuursteentechnologie van de eerste bewoners van Nederland na het einde van de laatste IJstijd: de Magdalénientraditie, de Hamburgtraditie en de Creswelltraditie. Het is bekend dat vuursteen in de Magdalénientraditie werd bewerkt op een gestandaardiseerde manier, aan de hand van relatief complexe technieken. In de Hamburgtraditie en de Creswelltraditie werd vuursteenbewerking opportunistischer en simpeler. Om verschillen en overeenkomsten tussen de technologische systemen van deze groepen in kaart te brengen zijn refits en klingattributen van verschillende sites geanalyseerd. Refits tonen aan in welke volgorde afslagen of klingen van de kern zijn geslagen, en kunnen geplaatst worden in de bredere context van de chaîne opératoire van vuursteenbewerking. Klingattributen geven inzicht in de (effecten van) technieken die gebruikt zijn tijdens het vuursteenbewerken. De Magdaléniensite Eyserheide (Rensink 2010) is vergeleken met sites die in het onderhavig onderzoek opnieuw zijn bekeken: Emmerhout, Siegerswoude (beide Creswelltraditie), Luttenberg en Sassenhein (beide Hamburgtraditie). Hieruit kwam onder andere naar voren dat de technische verschillen tussen deze groepen te verklaren zijn vanuit de materiële beperkingen van het beschikbare vuursteen op de Noordwest Europese Laagvlakte.

Een refitgroep van de Creswellsite Emmerhout (Drenthe).

Inger Woltinge & Izabel Devriendt

Soest-Staringlaan, meer dan maretakspitsen alleen
De opgraving Soest-Staringlaan heeft in totaal elf vroeg en midden mesolithische vuursteenclusters blootgelegd. De bewuste keuze bij de aanvang van de opgraving om binnen een beperkt aantal vakken een zo gevarieerd mogelijk spectrum aan vindplaatsen op te graven, heeft zijn vruchten afgeworpen. Zo hebben de verschillende vindplaatsen niet alleen een andere vondstdensiteit, maar zijn ze ook het resultaat van een gevarieerde gebruiksduur en functie, gaande van een intens bewoonde zone tot een plek waar mogelijk maar eenmalig vuursteen en natuursteen is bewerkt. De vondst van in totaal bijna honderd intacte en gefragmenteerde maretakspitsen geeft tevens een uniek inzicht in de variatiebreedte van dit werktuigtype. Los van het fraaie vondstmateriaal spreken ook de aangetroffen sporen tot de verbeelding. Ze lijken te horen bij een tijdelijk of semi-permanent bewoonde hut of onderkomen, een zeldzaamheid in mesolithisch Nederland. Deze herhaaldelijk gebruikte en herbouwde hut vormde het centrale punt binnen de locatie van waaruit allerlei activiteiten werden uitgevoerd. Deze hypothese wordt onderschreven door de vondst van haardkuilen en kuilen met verkoolde voedselresten die wijzen op veelvuldig en divers gebruik van deze plek.

De hutstructuur in het vlak.

Een ‘feuille de gui’ van de vindplaats Soest-Staringlaan. (foto: Frans de Vries)

Marcel Niekus, Gijsbert Boekschoten, Roderick Geerts, Rob Houkes, Lykke Johansen, Laura Kooistra, Lucy Kubiak-Martens, Axel Müller, Hans Peeters, Dick Stapert, Annemieke Verbaas, Sophie Verneau & Femke Vermue

Oost-West thuis best: het onderzoek naar de laat-mesolithische hut van Kampen-Reevediep
In 2016 kwam tijdens opgravingen van ADC in het kader van het project ‘Ruimte voor de Rivier’ ten zuiden van Kampen (vindplaats 9) de plattegrond van een laat-mesolithische hut tevoorschijn. De hut bestaat uit een zespalige structuur met een centrale paal. Met een doorsnede van circa 5,5 meter behoort de Kampense hut tot de grotere exemplaren die we in NW-Europa kennen. Het blijkt te gaan om een verdiepte hut, een zogeheten sunken dwelling, uit de eerste helft van het Laat-Mesolithicum. Op basis van ruimtelijke analyses met het ANALITHIC-programma kon de ingang worden gesitueerd in het zuidoosten; een tweede ingang is mogelijk in het noordoosten aanwezig. Tevens leveren de ruimtelijke analyses in combinatie met het uitgebreide gebruikssporenonderzoek interessante gegevens over het gebruik van de ruimte (‘activiteitenzones’) binnen de woonstructuur. Mogelijk is een deel van de patronen sekse-bepaald. Onderzoek naar de botanische resten levert informatie over het gebruik van planten. Ondanks het feit dat er in Nederland meer resten van mesolithische hutten zijn gevonden (bijv. Baarn-De drie Eiken en Soest-Staringlaan) levert Kampen concentratie ‘X2’ tot dusver het meest volledige beeld. In deze bijdrage komen verschillende aspecten van het onderzoek aan bod, met specifieke aandacht voor de ruimtelijke analyse en het gebruikssporenonderzoek.

Een 3D-reconstructie van de in Kampen gevonden laatmesolithsiche hut. (tekening Kelvin Wilson)

Willem-Jan Hogestijn

Sisyphus en De Tweeling: Laat-Neolithische visweren in Almere
Na de toevallige ontdekking in 2013 in Almere Stichtsekant van een handjevol aangepunte staken zijn de afgelopen jaren duizenden palen blootgelegd die deel uitmaakten van drie Laat Neolithische visweren. Deze weerresten verschillen van andere bekende Steentijd visweren in hun omvang (deels > 640 meter), bouwwijze (o.a. series van quasi-V-vormen) en hun landschappelijke positie (in open water, vermoedelijk niet oevergebonden). De uitwerking van het onderzoek loopt nog maar enkele voorlopige resultaten en hypothesen zullen worden gepresenteerd.

Veldinterpretatie en distributie van de laatneolithische visweren bij Almere.

Veldinterpretatie en distributie van de laatneolithische visweren bij Almere.

Hans Huisman

Graan in de zomp: de eerste akkerbouwers van laag Nederland
Is de introductie van akkerbouw in laag Nederland tijdens het Vroeg- en Midden-Neolithicum wel een geleidelijk proces geweest? Op dit moment wordt dat vrij algemeen aangenomen, hoewel elders in Europa de introductie snel lijkt te zijn gegaan. Er valt echter wel wat af te dingen op een aantal van de aannames die achter dit geleidelijke “extended broad spectrum economy” model liggen. Uit de goed geconserveerde akkerlagen op Midden Neolithische oeverwallen in het Swifterbantgebied komen aanwijzingen dat dit landschap intensief werd gebruikt voor het verbouwen van graan en andere gewassen in de periode 4300 – 4000 cal. yr. BC. We kunnen aannemen dat ook de oeverwallen van het Rijn-Maas systeem intensief beakkerd werden in deze periode – dit wordt ondersteund door aanwijzingen voor intensieve Midden Neolithische bewoning die recent zijn aangetroffen in Tiel Medel en Nieuwegein ’t Klooster. Een open vraag is wanneer en hoe snel de introductie voor deze periode is geweest. Ik wil de hypothese opwerpen dat die introductie eerder en sneller heeft plaatsgevonden dan we denken. Om dit te toetsen zal wanneer maar mogelijk gericht specialistisch onderzoek gedaan moeten worden op de oeverwallen en crevasses van de Nederlandse riviersystemen in West-Nederland uit de periode 7500-4000 v. Christus.

De oudst bekende sporen van agrarische grondbewerking, bij Swifterbant, zijn zichtbaar in het veld én in slijpplaten.

Dimitri Teetaert, E. Goemaere, P. Crombé

Swifterbant in de Scheldevallei. Resultaten van de technologische en petrografische analyses van het Swifterbant-aardewerk uit Doel-Deurganckdok
De technologische analyse van het Swifterbant-aardewerk uit Doel in combinatie met het petrografisch onderzoek van het aardewerk en de bemonsterde kleistalen (doctoraatsonderzoek D. Teetaert, UGent) laat toe de volledige chaîne opératoire van de aardewerkproductie te reconstrueren. Informatie over de herkomst van de kleien, types verschraling, opbouw en afwerking van de potten moet samen met de morfologische kenmerken van dit aardewerk tot een duidelijker beeld leiden van de relatie met het Swifterbant-aardewerk in het Nederlandse rivierengebied en andere, neolithische aardewerktradities binnen de ruimere regio van Noordwest-Europa.

Swifterbant aardewerk uit Doel: opbouw, afwerking en aanhechting.

Jan de Koning

Heiloo-Craenenbroeck. Een nederzetting zonder scherven uit het laat-neolithicum
Deze bijdrage betreft de nederzetting Heiloo-Craenenbroeck, een nederzetting op de rand of eigenlijk net over de rand van de steentijd (datering ongeveer 1950-1850 BC). Hier is vooralsnog de oudste plattegrond van Kennemerland (Oer-IJ gebied) gevonden op de flank van het duin grenzend aan een getijdengebied dat was ingesloten tussen de oude strandwal Uitgeest-Akersloot en de nieuwe die van Limmen naar Alkmaar doorliep. De sporen waren afgedekt door een akkerlaag met eergetouwkrassen met daar bovenop een 80 cm dik veenpakket. Eerder waren er wel akkerlagen onder het veen aangetroffen, maar tot nu nog geen nederzettingssporen. Hier is vermoedelijk sprake van een heel erf met een complete (of twee complete) plattegronden. De vindplaats is uitzonderlijk vondstarm. ER zijn 11 fragmenten vuursteen gevonden, waaronder een enkele duimschrabber en afslagjes. Op veel fragmenten zit cortex. Ze maakten gebruik van zeer pover materiaal. Erik Drenth vermoedt dat de werktuigjes vooral gemaakt zijn van kiezels die van het strand zijn opgeraapt. Verder zijn er drie kruimels aardewerk gevonden. De site kan dus niet aan klokbeker of wikkeldraad gekoppeld worden, maar is chronologisch goed te plaatsen door de stratigrafie. De datering zit chronologisch tussen Akersloot-Klein Dorregeest (oudere strandwal) waar wel klokbeker is gevonden en Noordwijk-bronsgeest (wikkeldraad) en waar overeenkomsten zijn tussen de plattegronden. De vindplaats is met name interessant vanwege de discussie over het ontbreken van vondsten, terwijl de site juist zo goed is geconserveerd onder het veen en over de plattegronden, een ogenschijnlijk rommeltje van paalkuilen, maar met verwantschap met de spaarzame parallellen in Nederland of net er buiten (Noordijk, Molenaarsgraaf).

Veldwerk te Heiloo-Craenenbroeck.

Yannick Raczynski-Henk

In de voetsporen van Eugène Dubois (nou ja, een stukje dan). Nor Geghi 1 en waarom ‘middenpaleolithisch’ misschien een problematische term is
Sinds 2008 doet een internationaal team, op verschillende vindplaatsen met uiteenlopende dateringen, onderzoek naar de vroegste menselijke aanwezigheid in de Kaukasus, één van de veronderstelde uitvalswegen voor Homininae die vanuit Afrika richting Europa en Azië trokken. Een van deze vindplaatsen bij het stadje Nor Geghi (Նոր Գեղի in het Armeens) speelt een belangrijke rol in de discussie over de relatie tussen de oudpaleolithische Acheulien vuursteenbewerkingstraditie die door Homo erectus/ergaster/antecessor/u mag het zeggen uit Afrika is meegenomen, en verschillende middenpaleolithische tradities (cf. Levallois, Moustérien) die daaropvolgend zijn ontstaan. Aan de hand van het vondstmateriaal dat bij Nor Geghi 1 onder meters basalt vandaag is gepeuterd, presenteer ik een ‘net niet heterdaadje’ dat hier licht op werpt.

Nor Geghi 1. De artefacten komen uit het profiel rechts op de foto.

Bezoek ons: