Klik nogmaals op de knop om de filters te resetten Sluiten

Neolithische elitegraven

In het laat-neolithicum kwam een nieuwe begrafeniswijze in zwang. De nieuwigheid was dat over het graf van de dode een heuvel werd opgeworpen. De vroegere collectieve graven, hunebedden en grafkelders, raakten geleidelijk in onbruik. Nu werd niet iedere dode onder een grafheuvel bijgezet. Er was een grote variatie in de behandeling van de doden. De een kreeg een keurige begrafenis, de ander niets. Vandaar dat we in de afvalhopen rondom de nederzetting geregeld menselijke skeletresten aantreffen. Ze zijn zonder enige zorg ‘ter aarde besteld’. Vaak wordt verondersteld dat het hier om slachtoffers van kannibalisme gaat. Maar omdat daarvan op de botten zelf zijn geen sporen terug te vinden, is deze interpretatie weinig waarschijnlijk. Eerder moet gedacht worden dat deze personen niet tot de ‘happy few’ behoorden die een formele ter aarde bestelling kregen.

Een andere vorm van behandeling van de dode was het stoffelijk overschot bloot te stellen aan de elementen: excarneren. Door het vervallen van het platform vielen de skeletresten naar beneden en raakten de botten ingebed in de bodem. Tijdens een opgraving kunnen dan concentraties skeletresten worden aangetroffen of, zoals bij het onderzoek van de Hazendonk gebeurde, een losse schedel in het veen. Ook werden de doden in het laat-neolithicum gecremeerd. Dit was echter geen wijdverbreid gebruik. Al deze vormen van ‘begraving’ laten archeologisch weinig sporen na, vooral in de gebieden met slechte conserveringsomstandigheden.

Ons beeld van begravingen onder grafheuvels is dan ook vertekend. Vermoedelijk zijn hier alleen de doden bijgezet die een bijzondere positie in de samenleving hadden. Vergelijken we de grafgiften uit deze grafheuvels met vlakgraven en de andere hierboven genoemde ‘begrafeniswijzen’, dan blijkt het merendeel van de graven met veel grafgiften onder een grafheuvel te liggen.

De begraving onder een grafheuvel geschiedde volgens een vastliggend ritueel. Er was steeds een vaste set aan bijgiften en ook de wijze waarop de dode met opgetrokken knien in de grafkuil werd gelegd, was aan regels gebonden. Mannen lagen meestal op de linkerzij, met het hoofd naar het oosten en met het gezicht naar het zuiden. Ze hadden een of meer bekers, een vuurstenen mes, een bijl, een stenen bijlhamer meegekregen en in enkele gevallen sieraden van barnsteen. Een goed voorbeeld is het hier afgebeelde graf uit Garderen. Vrouwen daarentegen lagen op de rechterzij, met het hoofd naar het westen, en keken dus naar het zuiden. Als bijgift werd vaak alleen maar een beker meegegeven.

Niet alleen het aantal grafgiften geeft een aanwijzing voor de positie van de dode in de samenleving, ook de aard en de kwaliteit van de voorwerpen doen dat. In enkele graven zijn vuurstenen messen gevonden, gemaakt van een steensoort die alleen in Frankrijk voorkomt. Dit vuursteen komt voor bij het plaatsje Grand-Pressigny, ten zuiden van Tours, in vogelvlucht bijna 700 kilometer van de Veluwe verwijderd. Dit vuursteen was buitengewoon geliefd want het wordt zelfs gevonden op meer dan 1000 kilometer van de bron. Een ander herkomstgebied ligt bij Romigny-Lhry, ten zuidwesten van Reims, op circa 400 kilometer afstand. De messen werden in Frankrijk geproduceerd en als kant-en-klare producten hier naar toe getransporteerd. Via een ingewikkeld uitwisselingsnetwerk belandden ze uiteindelijk in ons land. Dit netwerk had niet het moderne economische karakter waarbij het winstoogmerk voorop stond. De voorwerpen gingen van hand tot hand om politieke allianties en sociale contacten aan te gaan, te continueren of te versterken. Dergelijke voorwerpen moeten een grote waarde vertegenwoordigd hebben. Ze waren relatief zeldzaam en worden buiten graven zelden gevonden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ze veel werden nagebootst, maar dan gemaakt van vuursteen dat in ons eigen land voorkomt.

Nederland in de Prehistorie | Relevante voorwerpen

Alle topstukken

Bezoek ons: