Het leven in een middeleeuwse stad

In de late Middeleeuwen, vanaf ongeveer 1200, gingen de mensen meer en meer in steden wonen. Ze omringden deze met dikke stadsmuren ter bescherming tegen vijanden en hoog water. In veel Nederlandse steden zijn nog middeleeuwse huizen en stadsmuren te zien. Uit boeken en kunstwerken uit die tijd weten we hoe het leven er toen aan toe ging. Maar ook opgravingen geven ons veel informatie over het middeleeuwse leven, doordat juist daarbij veel gewone gebruiksvoorwerpen worden gevonden, die vaak niet in boeken zijn beschreven.

De periode vanaf ongeveer 1200 is de tijd van de steden. Ook bewoners van het platteland raken meer en meer op de steden gericht. Ze verkopen er hun groenten en vlees en schaffen andere producten aan. De mensen hebben vaste woonplaatsen, die ze tegen het water en tegen vijanden beschermen en waarin ze geld investeren. Ze betalen belasting, waarmee stadsmuren, openbare gebouwen en stenen huizen worden gebouwd. De gebouwen worden versierd en ingericht.

De vorm en sfeer van de middeleeuwse steden is goed bekend. Bijvoorbeeld uit boeken en kunstwerken die bewaard zijn gebleven, met afbeeldingen van bouwwerken en interieurs, met mensen die werken en feestvieren. In Nederland zijn op veel plaatsen nog gebouwen uit deze late Middeleeuwen te zien - ook in de binnenstad van Leiden, vlakbij dit museum.

Onze belangrijkste archeologische bron voor het "leven in de stad" is vuilnis dat toen in en rondom steden is gestort. De bevolkingsdichtheid is hoog in deze tijd. Men gebruikt afval om woonplaatsen op te hogen en te bemesten. De steden staan als het ware op hun eigen vuilnisbelt. Uit de late Middeleeuwen zijn vooral veel gewone gebruiksvoorwerpen bewaard gebleven: potten, pannen, sleutels, schoenen en speelgoed. De meeste zijn weggegooid en dus kapot teruggevonden.