Glas in de oudheid: vurig vakwerk

RMO
RMO
RMO
RMO

Glas is een wonderlijk product. Meng in de juiste verhoudingen zand, kalk en soda door elkaar en verhit deze stoffen in een oven. De ingrediënten smelten samen tot een taaie, plooibare massa. Koelt deze massa af, dan ontstaat er een hard materiaal met een glad, glanzend oppervlak. Maar glas, zoals wij het kennen, is meer dan de som der delen. Door mensenhand kan het worden gevormd tot sieraden of bokalen. Door toevoeging van metaaloxiden kan het worden gekleurd tot een waaier van mogelijkheden. Door inwerking van vocht kan het in de loop der eeuwen ook verkleuren, een proces dat wij 'irisatie' noemen.

De oorsprong van het glas ligt in de oude culturen rond het Middellandse Zeegebied. Rond 5000 v.Chr. werden in Mesopotamië al kralen van het precieuze materiaal gemaakt. De eerste parfumflesjes van het zogenaamde zandkernglas zijn hier ook vervaardigd, rond 1500 v.Chr. De Egyptenaren verfijnden de techniek en exporteerden hun producten tot ver buiten de grenzen. Phoeniciërs en Grieken kwamen tot nieuwe ontdekkingen. Zo werd in de hellenistische periode glas in een vorm geperst, zodat ook grotere drinkschalen gemaakt konden worden. In het Romeinse Rijk werd de grootste ontdekking in de glaskunst gedaan: de blaaspijp, waardoor plotseling een enorme variëteit aan vormen kon worden gemaakt in een relatief kort productieproces. Glas werd in Rome tot een massaproduct, toegankelijk voor iedere beurs. Maar glaswerkers bleven ook technische en artistieke meesterwerken maken, met technieken die ons vandaag voor raadsels stellen.

Het oude Nabije Oosten, Egypte, Griekenland en Rome: dit zijn de cultuurgebieden die tot de kerncollectie van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden behoren. Het is dus te begrijpen dat in Nederland de grootste en rijkste collectie glas uit de oudheid in dit museum te vinden is. Door ruimtegebrek is in de loop der tijd slechts een klein gedeelte van de eigen verzameling op zaal getoond.

Ontdekking onder de ketel

Ooit moet het glas zijn uitgevonden. De Romeinen speculeerden al volop hoe in een ver verleden mensen op het idee waren gekomen om doelbewust zand, kalk en soda te gaan mengen en te gaan verhitten. De Romeinse generaal en geleerde Plinius (1e eeuw na Chr.) vertelt in zijn Naturalis Historia een mooi verhaal over hoe het glas zou kunnen zijn ontdekt. Hij plaatst de gebeurtenis in Phoenicië (het huidige Libanon), een handelsnatie bij uitstek. Voor de bewerking van verf, lijm en leer werd in de oudheid veel soda gebruikt. Phoenicische handelaren in soda waren met hun schip onderweg naar de grote stad. Tegen de avond zochten zij een ankerplaats voor hun schip. Ze besloten te overnachten op een prachtig zandstrand, maar ze konden nergens grote stenen vinden om hun ketel met avondeten op te zetten. Een van de mannen besloot drie forse brokken soda uit het ruim te halen en de ketel hierop te plaatsen. Onder de ketel werd een vuurtje gestookt en tot de grote verbazing van de mannen begon er bij het vuur een vreemde substantie te pruttelen: soda, zand en kalk (schelpen!) waren met elkaar versmolten, en koelden af tot een keiharde glanzende massa. Het glas was uitgevonden. In werkelijkheid kan het niet zo gegaan zijn: een kampvuurtje bereikt niet voldoende temperatuur om glas te laten smelten, maar het verhaal is mooi bedacht.

De ontdekking van glas hoort thuis in de serie spectaculaire uitvindingen, die mogelijk waren gemaakt door het manipuleren van het vuur: bijvoorbeeld het mengen van metalen, waardoor brons en later ijzer ontstonden. Anders dan brons en ijzer werd glas (aanvankelijk) alleen toegepast voor het maken van siervoorwerpen. Glas bleek in schoonheid te kunnen concurreren met prachtige steensoorten zoals lapis lazuli, albast en turkoois. De glasmakers ontdekten dat door toevoeging van metaaloxiden het van nature groene glas plotseling ook blauw, paars, rood, geel, roze en helemaal wit kon kleuren. De variaties waren eindeloos. De markt hunkerde naar hun producten.

Kern van waarheid

Zoals gezegd stamt het oudste glas uit het land van de twee rivieren, Mesopotamië. Rond 1500 v.Chr. werden hier de eerste vaasjes van glas gemaakt, in een makelij die men gewoonlijk aanduidt met de term zandkerntechniek. In deze techniek maakte de glasmaker eerst de vorm van het flesje; hij gebruikte hiervoor een mengsel van klei, stro, zand en een beetje mest. Deze vorm werd rond een metalen staaf gemodelleerd. Over deze vorm, de kern, werden gesmolten glasdraden gewikkeld, die steeds weer werden verhit in de oven en vervolgens vlak gerold op een stenen plaat. Op den duur onstond zo een glazen flesje. Op dit flesje werden dan opnieuw glasdraden aangebracht, die allerlei kleuren konden hebben: geel, blauw, wit en groen komen veel voor. Deze draden smolten op het oppervlak vast en werden met een haakje, kam of pincet in allerlei patronen uitgetrokken. Door het glas opnieuw te verhitten en glad te rollen ontstond een glad en veelkleurig oppervlak. Oortjes en voetjes werden apart aangezet. Na afkoeling kon de staaf verwijderd worden, en werd de kern uit het flesje gekrabd. Verder polijsten leverde een prachtige glans op. Dergelijk glas imiteerde producten van steensoorten zoals lapis lazuli, turkoois en albast. Meer dan 1000 jaar werd in Egypte, Phoenicië en op de Griekse eilanden gewerkt in de kerntechniek, die kleine, luxe producten opleverde. Het creëren van grotere objecten moest wachten op de ontdekking en ontwikkeling van nieuwe productiemethoden.

Persmomenten

Het vervaardigen van kunstvoorwerpen met behulp van een mal was in het oude Griekenland een wijd verspreide techniek. Bronzen beeldjes en gebruiksvoorwerpen werden op deze wijze gemaakt. Glas liet zich veel moeilijker dan metaal in mallen vormen, aangezien de hete glasmassa te kleverig en te taai is om zich goed te plooien in de fijne vertakkingen van een mal. Er werd vanaf de 6e eeuw v.Chr. wel geëxperimenteerd met het gieten van glas, maar pas in de hellenistische periode (ca. 330-30 v.Chr.) werd op grote schaal gebruik gemaakt van de mal. Deze techniek, die tot ontwikkeling kwam in Alexandrië, maakte het mogelijk grotere vormen zoals drinkschalen van glas te vervaardigen. Hiervoor werd een mal van aardewerk gebruikt, waarin het gesmolten glas in de gewenste vorm werd geperst met behulp van een contramal. Na afkoeling kon het ruw gevormde stuk verder worden gepolijst. Kommen die volgens dit procedé zijn gemaakt, zijn vrij dikwandig en zwaar. Een variant van het persen is het laten zakken van glas: een ronde schijf glas wordt geplaatst op een bolvormige mal. Wanneer deze mal met glasschijf en al in de oven wordt gezet, zakt het glas door de hitte als een pannenkoek over de vorm. Na afkoeling kon de aldus gevormde kom worden gepolijst.

In deze techniek was het ook mogelijk om stukjes glasdraad van verschillende kleuren in de mal op te stapelen en daarna in de oven met elkaar te laten versmelten. Het resultaat was buitengewoon levendig en kleurrijk. Wij kennen dergelijk glas nog steeds onder de naam millefiori (duizend bloemen).

Van pijp en pontil

Rond het midden van de 1e eeuw v.Chr. vond er een revolutionaire ontwikkeling plaats, die grote gevolgen had voor de productie en economische waarde van het antieke glas: de uitvinding van de blaaspijp. Deze ontdekking vond plaats in het oostelijke Middellandse Zeegebied, in de kustgebieden van Syrië en Libanon. Al snel namen glasmakers in het hele Romeinse Rijk deze techniek over, waardoor wereldwijd een nieuwe fase in de glaskunst aanbrak.

De nieuwe techniek kwam tot ontwikkeling door het gebruik van een holle blaaspijp. De pijp werd in de gesmolten glasmassa gedoopt, en met een klomp glas eraan uit de oven genomen. Door te draaien en in de pijp te blazen vormde de glasblazer zo een soort ballon van glas, die met behulp van allerlei werktuigen naar believen gevormd kon worden. Een tweede staaf, de pontil, werd met behulp van een klein klompje glas vastgezet op de onderkant. De blaaspijp werd van de bovenzijde afgebroken, en het glas werd op de pontil opnieuw verhit en verder bewerkt. Mondstuk, handvatten, glasdraden en verschillende kleuren konden worden toegevoegd. De vorm kon ook worden uitgevouwen om kelken en schalen te maken. De variaties waren ontelbaar. Voor het eerst werd glas nu dunwandig en doorzichtig. En bovendien goedkoper. In de loop van de Romeinse keizertijd werd glas betaalbaar voor steeds grotere groepen in de samenleving. Glasateliers kwamen tot bloei: allereerst in Italië, maar later ook in de provincies van het Romeinse Rijk. Keulen en Trier waren in het noorden van het rijk belangrijke centra. Naast het massaal geproduceerde glas bleven glasblazers zich ook toeleggen op luxe artikelen, die van een grote techniek en verfijning getuigen.

De glazen objecten konden ook versierd worden met gravering en facettering. Dit gebeurde met behulp van harde steensoorten. In het Perzische rijk der Sassaniden (224-651 n.Chr.) werd het facetteren van glas tot hoge kunst verheven.

Positief resultaat

Kort na de uitvinding van het vrijgeblazen glas combineerden glasmakers in het oostelijke Middellandse Zeegebied de nieuwe techniek met het al bekende vormen in een mal. Zij ontdekten dat een klomp glas zonder veel problemen geblazen kon worden in een meerdelige, versierde mal van hout, keramiek of metaal. Op deze manier konden series soortgelijke voorwerpen snel worden gemaakt, totdat de mal versleten raakte. Gesloten mallen bestonden uit twee of meerdere delen. Vaak zijn de naden van de mallen nog zichtbaar op het geblazen eindproduct. Door gebruik te maken van een mal konden ook vierkante of zeshoekige flessen geblazen worden en kwam er einde aan het primaat van de ronde vorm. Wanneer een object buiten de mal nog wordt bijgewerkt, spreekt men van optisch geblazen glas.

Wat blijft is de fascinatie voor het antieke glas. De kerkvader Augustinus was al geïntrigeerd door het feit dat het breekbare glas vaak een langer leven heeft dan een mens. Je moet er dan wel goed voor blijven zorgen, zo was zijn advies:

Zijn wij mensen niet brozer dan glas? Want zelfs het breekbare glas heeft een heel lang leven, indien men er goed voor zorgt: er zijn kleinkinderen en achterkleinkinderen, die drinken uit de glazen van hun grootvaders en overgrootvaders. Zulke breekbare objecten zijn door de jaren heen bewaard gebleven.