Geschiedenis collectie: de twintigste eeuw

Oude presentatie collectie in tribunevormOude presentatie collectie in tribunevorm

Bijstellingen

In het begin van de twintigste eeuw werd het verzamelbeleid bijgesteld. Om te voorkomen dat het museum uit zijn voegen zou barsten, besloot men zich te beperken tot wat nu nog steeds de collectiegebieden zijn: het oude Egypte, de Klassieke Oudheid, het oude Nabije Oosten en het vroege Nederland. Objecten uit bijvoorbeeld India en Nederlands-Indië werden afgestoten.

Nieuwe spelregels

Uitbreiding van de collectie komt nu voornamelijk tot stand via schenkingen (de Egyptische tempel in de centrale hal was een gift van de Egyptische overheid), erfenissen en gerichte aankopen. Dat laatste verloopt in de twintigste eeuw niet meer zo ongecompliceerd als in de negentiende eeuw, toen een zak geld en toestemming van plaatselijke autoriteiten meestal voldoende waren voor een legale aankoop van objecten. In de twintigste eeuw komen daar officiële verdragen tussen landen voor in de plaats.

Naar zelfstandigheid

In de twintigste eeuw wordt er ook steeds meer uit de Nederlandse bodem gehaald. De massale bouwwerkzaamheden in Nederland leiden steeds vaker tot noodzakelijk archeologisch onderzoek en de archeologen gaan gerichter en professioneler te werk dan voorheen. Vondsten van nationaal belang worden nu per ministeriële toewijzing aan de collectie toegevoegd. In 1971 worden de bestuurlijke banden met de Leidse Universiteit verbroken. Vanaf dat moment verlopen de contacten tussen het museum en de rijksoverheid rechtstreeks. Het Rijk subsidieert het museum en is eigenaar van de collectie. Sinds 1 juli 1995 is het museum een zelfstandige stichting die het archeologische deel van de rijkscollectie beheert en tot taak heeft deze voor een groot publiek toegankelijk te maken.