Klik nogmaals op de knop om de filters te resetten Sluiten

Rhyton in de vorm van een leeuw

Rond 1940 v.Chr. stichtten Assyrische kooplieden handelskolonies in het grondstoffenrijke Anatolië. Deze kolonies (karum) lagen aan de rand van of buiten de grote steden. Door de handelscontacten integreerden de Assyrische en Anatolische culturen en ontstond er een unieke mengcultuur in de karum-periode (1925-1715 v.Chr.). Een voorbeeld van zo’n synthese zijn rituele plengvazen in de vorm van een dier. Die hebben meestal een tuit op de rug en een tweede opening in bek of neus waaruit de vloeistof werd geplengd. Deze leeuwen-rhyton uit de belangrijke handelsnederzetting Kanesh mist zo’n tweede opening. Omdat ook de decoratie afwijkt van andere Kanesh-vazen, stamt deze rhyton misschien uit een latere fase.

Anatolië is een land rijk aan natuurlijke grondstoffen. Koper, goud, zilver, hout, etc., treft men aan in welhaast onuitputtelijke hoeveelheden en het is niet verwonderlijk dat deze voorraden een grote aantrekkingskracht uitoefenden op de inwoners van de in dit opzicht veel minder rijk bedeelde buurlanden. Omstreeks 1940 v.Chr. trokken Assyrische kooplieden vanuit Noord-Irak naar Anatolië en stichtten een uitgebreid netwerk van handelsnederzettingen. Anatolië was in deze tijd verdeeld in tientallen stadstaten, elk met hun eigen heerser. Via verdragen met deze lokale vorsten verzekerden de Assyriërs zich van bescherming en gaven zij hun aan handelsactiviteiten een rechtspositie. De handelskolonies, waarvan de grotere karum en de kleinere wabartum genoemd werden, lagen aan de rand van de hoofdsteden van de Anatolische vorstendommen, strikt gescheiden van de woon- en werkkwartieren van de lokale bevolking.

De belangrijkste van deze handelsnederzettingen was Karum Kanesh, het huidige Kltepe in de buurt van Kayseri in Cappadocië. Vanuit Karum Kanesh werd het uitgebreide Assyrische handelsnetwerk in Anatolië georganiseerd en bestuurd. Ofschoon Karum Kanesh, o.l.v. de tamkaru (de belangrijkste financiers van de handelsactiviteiten), een grote mate van autonomie bezat, was de kolonie op haar beurt verantwoording schuldig aan de bankiers en koning in het bijna duizend kilometer verder naar het zuidoosten gelegen Assur. De uitgebreide opgravingen te Karum Kanesh brachten niet alleen de woonhuizen van de Assyrische handelaren aan het licht, maar ook naar schatting elf- tot twaalfduizend kleitabletten die de zakelijke correspondentie van de Assyrische handelaren bevatten (contracten, schuldbekentenissen, opdrachten tot koop en verkoop, etc.). Deze documenten tonen aan dat de Assyriërs vooral geïnteresseerd waren in zilver, gouden koper, in ruil waarvoor vanuit Assyrië o.a. kleding geleverd werd, en vooral ook tin, noodzakelijk voor de productie van brons.

Het verschijnen van de Assyrische kooplieden in Anatolië bracht grote veranderingen te weeg: de Anatolische vorstendommen werden betrokken in politieke en commerciële netwerken, die ver buiten de eigen grenzen reikten. Het schrift en het rolzegel werden in Anatolië geïntroduceerd en bewerkstelligden een integratie van Anatolische en Mesopotamische tradities. Ook in de metaalkunst en het aardewerk vond een dergelijke synthese plaats, die een uniek karakter aan deze karum-periode (ca. 1925-1715 v.Chr.) verleent. Nieuwe vormen van aardewerk verschijnen, waaronder de rituele plengvazen in de vorm van leeuwen, antilopen, adelaars, konijnen, varkens en zelfs slakken.

In Karum Kanesh werden deze diervormige vazen, waarvan sommige beschilderd, vooral gevonden in bouwlaag II, beginnend rond 1925 v.Chr. en eindigend omstreeks 1800 v.Chr. De hier getoonde (en gedeeltelijk gerestaureerde) rhyton in de vorm van een leeuw hoort hoogstwaarschijnlijk in dezelfde tijd en regio thuis. De leeuw staat fier rechtop, de poten naast elkaar geplaatst en de bek opengesperd. Het lichaam is druk beschilderd met rode verf, begrensd door zwarte lijnen, op een geelachtig-oranje ondergrond. De geometrische patronen doen denken aan het Cappadocische aardewerk, dat rond 2000 v.Chr. in Anatolië verschijnt. Het lichaam is hol en een tuit op de rug suggereert dat deze vaas oorspronkelijk een vloeistof bevatte. De vazen gevonden in Karum Kanesh laten, naast de tuit op de rug, steeds een tweede opening zien in de bek of neus, en ondersteunen aldus de gangbare veronderstelling dat deze rhytons dienden als rituele plengvazen.

Opmerkelijk genoeg ontbreekt een dergelijke tweede schenkopening bij deze vaas. Ook de drukke, over het hele lichaam aangebrachte geometrische beschildering van deze rhyton wijkt af van de Karum Kanesh-vazen, waarvan de decoratie veelal beperkt is tot kop, borst en voorpoten, en waarvan vooral de manen vaak op een naturalistische wijze worden weergegeven. Een en ander suggereert dat de rhyton niet uit Karum Kanesh stamt, maar uit een in de buurt gelegen nederzetting. Het is ook mogelijk dat deze vaas simpelweg een nog niet in opgravingen aangetroffen type vormt, dat het object in een latere fase van bewoning te Karum Kanish thuishoort, of dat de vaas een andere functie vervulde dan de overige. Een andere mogelijkheid is uiteraard dat de rhyton een moderne vervalsing is, waarbij de maker niet precies op de hoogte was van alle details; een uitvoerig onderzoek toonde echter aan dat, ofschoon beschadigingen middels moderne aanvullingen waren weggewerkt en delen van de beschildering waren opgefrist, de vaas voor ruim 4/5 deel zonder meer als echt bestempeld kan worden.

Als gevolg van onder andere politieke verschuivingen in Mesopotamië stortte in de 18e eeuw v.Chr. het Assyrische handelsnetwerk in. Assyrië verzwakte in snel tempo en werd overvleugeld door machtige nieuwe koninkrijken, zoals Babylon in Mesopotamië en Mari en Aleppo in Syrië. Ook in Anatolië waren voortdurend moeilijkheden tussen de diverse vorsten en hun vazallen. Rond 1800 v.Chr. werd Karum Kanesh verwoest. Opgravingen brachten sporen van een zware brand en een tot anderhalve meter dikke puinlaag aan het licht. Desondanks lijkt Karum Kanesh zich spoedig te herstellen en opnieuw tot een welvarende handelsstad uit te groeien, bijna even groot als de voorafgaande. Wel neemt het aantal Assyrische teksten fors af (rond tweehonderd stuks zijn momenteel bekend) en lijkt de rol van de Assyrische koopmanshuizen in belang af te nemen. Ook in de bestuursstructuur van de nederzetting en in de aard van de handel treden veranderingen op. Zo verdwijnen bijvoorbeeld tin en sommige in eerdere tijd veel voorkomende wollen stoffen. Kanesh bleef evenwel een centrum van internationale handel, zoals blijkt uit een aantal teksten gevonden in Mari aan de Eufraat in Oost-Syrië. In deze teksten is sprake van grote handelskaravanen, die onder andere Kanesh als eindbestemming hebben.

De voortdurende onenigheid tussen de Anatolische rijkjes heeft het Assyrische handelsnetwerk uiteindelijk de genadeklap toegebracht. Rond 1750 v.Chr. had Anitta, heerser van Kanesh, een groot aantal van de centraal-Anatolische vorstendommetjes aan zich onderworpen, inclusief Karum Hattush (het moderne Bogazky nabij Ankara). In nog weer latere tijd, wanneer de vorst van de stad Kussar erin slaagt de boventoon te voeren, wordt Hattush, en het omringende land Hattum, tot residentie en centrum van het grote Hethietische rijk.

De voorwerpen | Relevante voorwerpen

Bezoek ons: