Inleiding: de oude Grieken

De klassieke beschaving van de oude Grieken (8ste-4de eeuw v.Chr.) kenmerkte zich door een culturele en politiek-militaire expansie die tot ver buiten de landsgrenzen reikte. Het leidde tot een rijkdom aan ontwikkelingen op het gebied van de beeldende kunst, bouwkunst, politiek, economie en landbouw. De invloed daarvan zou bepalend zijn voor grote delen van het Middellandse Zeegebied, Voor-Aziƫ en voor ons.

Ca. 750 v.Chr.

Beschaving is een rekbaar begrip, maar algemeen wordt aangenomen dat de kiem voor de klassieke Griekse beschaving omstreeks 750 v.Chr. is gelegd. Dat gebeurde in de zogenoemde geometrische periode, die voorafging aan de oriĆ«ntalistische periode en de archaĆÆsche tijd (ca. 600-500 v.Chr.). De klassieke Griekse beschaving was een mengsel van tradities, normen, waarden, regels en kunstuitingen dat een bepalende invloed zou hebben op een groot deel van het Middellandse Zeegebied, Voor(westelijk)-AziĆ« en uiteindelijk ook op ons. Het was een tijd met ontluikende ontwikkelingen op uiteenlopend gebied ā€“ politiek, bouwkunst, economie, landbouw en beeldende kunst.

Myceners

In de periode daarvĆ³Ć³r, rond 1000-750 v.Chr., werd het Griekse schiereiland door verschillende bevolkingsgroepen bewoond. Nog verder terug, in de bronstijd (ca. 1600-1000 v.Chr.), tijdens de Myceense periode, waren het midden en zuiden van Griekenland opgedeeld in vorstendommen. De bevolking was onderworpen aan heersers die regeerden vanuit hun burchten en paleizen. Hoewel er over de Myceners betrekkelijk weinig bekend is, valt er uit archeologische vondsten wel op te maken dat hun samenleving rijk, ingewikkeld en sterk gereglementeerd was. De Myceners onderhielden overzeese contacten met een groot aantal buitengebieden, van de westkust van Klein-AziĆ« tot de kusten van SyriĆ«, Egypte en ItaliĆ«.Ā Omstreeks 1200 v.Chr. raakte de Myceense beschaving in verval en viel ze uiteen. Het was een tijd waarin het hele oostelijke Middellandse Zeegebied door zeevolkeren en aanverwante stammen werd geteisterd, tot aan Egypte toe.

Homerus

De geschiedenis van het oude Griekenland is voor een groot deel geboekstaafd door de verhalende dichter Homerus (ca. 800-ca. 750 v.Chr.). Met zijn heldendichten, godenverhalen en mythes verweefde hij de cultuur van zijn tijd in zijn werk, waardoor zijn wereld tot in onze tijd bewaard is gebleven. Sommige wetenschappers beschouwen zijnĀ heldendichten Ilias en Odyssee zelfs als de belangrijkste bron van informatie over de vroegste periode van de klassieke Griekse beschaving.

Voorspoed en vernieuwingen

In die tijd was de bevolking van het schiereiland geleidelijk weer toegenomen, vermoedelijk als gevolg van de overzeese migratiestromen die naar de Griekse eilanden en de kustgebieden trokken. De contacten met Voor-AziĆ« werden hersteld en Griekenland veerde langzaam op.Ā Met een aantal havens in de Levant (Zuidwest-AziĆ«) werden contacten gelegd. Dat leidde rond de 8ste eeuw v.Chr. tot tal van vernieuwingen in het Griekse moederland, onder meer op het gebied van ijzer- en bronsbewerking, beschilderd aardewerk, godenbeelden en altaren.

Staatsvormen

Het was ook de tijd waarin de polis verscheen, een typisch Griekse staatsvorm die met name in Athene het pad zou effenen voor een kortstondige democratische samenleving. In de Ilias en de Odyssee van Homerus – daar is hij weer – zien we aanvankelijk het beeld opdoemen van een aristocratische samenleving met een grotendeels onmondige volksvergadering. Tegelijkertijd moet er ook een beperkt gemeenschapsgevoel zijn ontstaan, waarbij de bewoners van de afzonderlijke stadstaten of gemeenschappen zichzelf als vrije burgers beschouwden.

Heersers en tirannen

Vooralsnog werd het maatschappelijke en politieke leven bepaald door de basileis, heersers met het aanzien van een vorst. Zij maakten plaats voor magistraten die uit de aanzienlijkste bewoners werden gekozen. Sommige van hen stichtten met geweld een nieuwe monarchie, de turannis, waarvan de turannos (tiran) de steun verkreeg van de niet-aristocratische bevolking.

Democratie

In Athene zien we omstreeks 600 v.Chr. geleidelijk de contouren van een democratie ontstaan. Burgers van Athene kregen meer vrijheden en invloed. Kort na 500 v.Chr. kwam de tirannie in Athene ten val. Nieuwe machthebbers verbonden zich nadrukkelijk met het volk (dĆØmos), dat de stadstaat in naam ging regeren, al was verreweg het grootste deel van de bevolking (vrouwen, immigranten, jongemannen en slaven) van kiesrecht uitgesloten.

Buitenlandse nederzettingen

Van de 8ste tot in de 6de eeuw v.Chr. werden buiten het moederland Griekse nederzettingen gesticht aan de kusten van de Zwarte Zee en de Middellandse Zee, onder andere bij Syracuse en KatanƩ (Cataniƫ) op Siciliƫ, bij Neapolis (Napels), in Zuid-Frankrijk (Marseille), Libiƫ en Byzantium (Constantinopel/ Istanbul). In deze buitengebieden verrezen politiek zelfstandige, agrarische gemeenschappen met een cultuur, godsdienstbeleving, dialect en alfabet die de Griekse kolonisten hadden meegenomen uit hun moederland.

Handel overzee

De handel overzee kreeg een belangrijke impuls. De stadstaten in de buitengebieden bloeiden op. Door contacten met het machtige koninkrijk Lydiƫ (Voor-Aziƫ), Cyprus en de Levant raakte de Griekse elite vertrouwd met de luxe van stenen huizen, rustbedden en purperen stoffen, en in de 6de v.Chr. eeuw met filosofie en wetenschap. Na 600 v.Chr. werden Griekse steden stelselmatig aan het Lydische rijk onderworpen, maar dat veranderde weinig aan het leven van alledag.

Oorlogen

De oude Grieken raakten veelvuldig betrokken bij oorlogen in en rondom het Middellandse Zeegebied. Halverwege de 6de eeuw v.Chr. werd Lydiƫ onder de voet gelopen door het leger van het uitdijende Perzische rijk. Dat lot trof ook de Griekse steden en eilanden langs de Klein- Aziatische kust. Het Perzische regime was straffer dan de Grieken gewend waren. Ze moesten hoge belastingen betalen. Daarmee konden de Perzen een grote vloot bekostigen voor hun campagne tegen Egypte, dat ze in 525 v.Chr. veroverden.

De Perzen

Gaandeweg ontstond er in de Griekse stadstaten een gemeenschappelijke (panhelleense) weerzin tegen het Perzische rijk. Dat resulteerde in de Ionische Opstand (500-494 v.Chr.), waarbij de Grieken een groot deel van de Perzische oorlogsvloot confisqueerden. Maar deĀ Perzen sloegen terug. Met een nieuwe vloot belaagden zij de Ionische steden. Ze maakten zich op om het vasteland van de Grieken aan te vallen en hun wereldrijk verder uit te breiden naar het westen. In 492 v.Chr. wist de Perzische koning Darius ThraciĆ« en MacedoniĆ« aan de noordkust van de EgeĆÆsche Zee in te nemen, maar zijn poging om ook het Griekse schiereiland te veroveren liep stuk op een leger van zwaarbewapende Grieken. Zij hakten zijn krijgsmacht in 490 v.Chr. bij Marathon in de pan. Tien jaar later probeerden de Perzen het opnieuw, maar uiteindelijk werden zij door een coalitie van stadstaten van bijna de hele Peloponnesos verslagen.

Carthagers

Daarmee was het onheil voor de Grieken nog niet afgewend. Op Siciliƫ hadden zij gevaar te duchten van de Carthagers die vanuit hun Noord-Afrikaanse stadstaat Carthago (het huidige Tunesiƫ) een oorlogsfront op het eiland hadden gevormd om de Grieken, hun belangrijkste handelsrivalen, een vernietigende slag toe te brengen. Maar ook daar wisten de Grieken hun vijand op de knieƫn te krijgen.

Hegemonie van Athene

Waar de poleis op de Peloponnesos de handen nog ineen hadden geslagen in hun strijd tegen de Perzen, raakten zij daarna ernstig verdeeld en kwamen ze zelfs vijandig tegenover elkaar te staan. Dit had alles te maken met de hegemonie van Athene in het EgeĆÆsch gebied. Athene was de initiatiefnemer en het belangrijkste lid van de Delisch-Attische Zeebond, een bondgenootschap van stadstaten dat was opgericht om de Perzische krijgsmacht het hoofd te bieden. De meeste leden stortten elk jaar een geldsom in de bondskas, waaruit Athene zijn machtige zeevloot kon bekostigen. Nadat de Perzen waren verslagen, trok Athene de leiding naar zich toe en veranderde het bondgenootschap in een Atheens imperium dat de bondgenoten nadrukkelijk zijn wil oplegde. Dit was tegen het zere been van een aantal poleis. Zij voelden zich bedreigd in hun zelfstandigheid.

Peloponnesische Oorlog

De tegenstellingen manifesteerden zich het sterkst tussen het democratische Athene en het conservatieve Sparta. Uiteindelijk bleek een militair conflict onvermijdelijk. In 431 v.Chr. brak de Peloponnesische Oorlog uit, die tot 404 v.Chr. zou duren. De oorlog hield de hele Peloponnesos in zijn greep. Na diverse veld- en zeeslagen wist Sparta de stadstaat Athene tot overgave te dwingen met financiƫle steun van Perziƫ, dat de oorlogvoerende partijen handig tegen elkaar wist uit te spelen en zo zijn invloed op het Griekse schiereiland vergrootte. Eind van het liedje was dat de Zeebond werd opgeheven, de vloot van Athene werd geconfisqueerd en de Atheense democratie werd afgeschaft en vervangen door een repressief bewind van een kleine groep.

Soldaten

Een militaire loopbaan was voor veel Griekse burgers een vanzelfsprekend perspectief. Door dienst te nemen in de krijgsmacht konden ze meer aanzien en materiƫle welstand verwerven. Velen van hen liftten mee op een emigratiegolf die op gang was gekomen naar de Griekse buitengebieden, een gevolg van de overbevolking in eigen land. Zo kwam het dat veel Grieken deelnamen aan oorlogshandelingen in een bondgenootschappelijk leger buiten het moederland.

Alexander de Grote

Alexander de Grote (356-323 v.Chr.), de legendarische jonge koningszoon uit Macedoniƫ (het huidige Noord-Griekenland), wist daar dankbaar gebruik van te maken. Hij smeedde een coalitie met de poleis op de Peloponnesos die door zijn vader Filippos II met militaire middelen waren ingelijfd bij het Macedonische rijk. Zo kon hij zijn leger met duizenden Grieken versterken. Op het hoogtepunt van zijn heerschappij had hij een troepenmacht gevormd van meer dan honderdduizend man, een ongekend grote krijgsmacht voor die tijd.

Hellenisme

In de grote, nieuwe wereld van Alexander raakten de oude poleis gaandeweg op de achtergrond en kreeg het hellenisme, de verbreiding van de Griekse taal en cultuur, tot ver buiten het moederland de overhand. Daarmee werd een nieuw tijdperk ingeluid. Het hellenisme sloeg zijn vleugels uit in het Macedonische rijk (334-301 v.Chr.), het voormalige Perzische rijk, Egypte en rond de Indus in noordwestelijk India.

Niet naar India

Alexander, een briljant militair strateeg en een eerzuchtige machthebber, waagde een militaire oversteek naar (Klein-)Aziƫ om ruimte maken voor de (culturele) Griekse kolonisatie. Uiteindelijk bleken zijn plannen te hoog gegrepen. Op zijn expeditie in India (326 v.Chr.) begonnen zijn manschappen te morren over het tropische klimaat en de ziekten die ze er opliepen. Bovendien kwam Alexander tot het inzicht dat India en de landen die daarachter lagen, veel groter en moeilijker in te nemen waren dan hij had gedacht. Na enkele dagen maakte zijn leger rechtsomkeert.

Dood van Alexander

In 323 v.Chr. begon de jonge koningszoon een nieuwe militaire onderneming waarbij hij met een vloot vanuit Mesopotamiƫ (nu Irak en Syriƫ) naar het oosten wilde varen. Vlak voor de Perzische Golf werd hij ziek. Twee weken later overleed hij. Zijn dood betekende het einde van zijn rijk.

Romeinen

De strijd om zijn opvolging (onder de diadochen = opvolgers) resulteerde in onderlinge oorlogen tussen een aantal van zijn generaals. Het Macedonische rijk viel daardoor uiteen in afzonderlijke vorstendommen en werd na een lichte opleving uiteindelijk door de Romeinen op de knieƫn gedwongen. Samen met Griekenland werd het rijk onderdeel van de Romeinse provincie Macedonia. Daarmee was het politieke lot van het eens zo machtige en cultureel rijke Griekse schiereiland bezegeld.