Grafreliëfs met dieren

De naakte jongeman op de hier weergegeven eerste afbeelding lijkt in beweging te zijn. We zien het aan zijn houding in reliëf – rustend op zijn rechterbeen, leunend op een knoestige boomstronk, met zijn linkerbeen ontspannen naar achteren, het licht gebogen hoofd, de mantel die van zijn linkerschouder glijdt en het linkerdeel van het lichaam dat verder naar voren komt dan het rechter.

Beweging

Zijn houding op dit grafreliëf doet denken aan de belangrijkste vaardigheid van de beeldhouwer Polycleitus in de 5de eeuw v. Chr.: het creëren van beweging in de uitbeelding van mensen in rust. Ontevreden over de starre poses bij de beelden van zijn voorgangers schiep Polycleitus de zogenoemde contrapost: hij plaatste het lichaamsgewicht op één (stand)been en liet het andere been (speelbeen) loskomen van de grond. Daardoor kantelden het bekken en de schouders in tegengestelde richting en ging de lichaamsas draaien. De spieren van het lichaam werden samengedrukt of uitgerekt. Zo ontstond er beweging. Door zijn creatie zou Polycleitus tot de beroemdste beeldhouwers uit de oudheid gaan behoren.

Overdreven

Op dit reliëf, te dateren omstreeks 370 v. Chr., is de contrapost bijna overdreven uitgewerkt. De jongeman moet steun zoeken tegen een boom omdat hij anders uit balans zou raken. In dat opzicht doet het werk ook denken aan de sculpturen van Praxiteles, de belangrijkste beeldbouwer uit de 4de eeuw v. Chr.

Duif

De naakte jongeman houdt in zijn rechterhand een duifje bij de vleugels vast, terwijl hij met z’n wijsvinger het kopje neerdrukt. Onder het vogeltje zat oorspronkelijk een hondje, maar dat is waarschijnlijk weggehakt bij een negentiende-eeuwse restauratie van het reliëf. Schaarse sporen van een staart en een voorpoot zijn nog te zien. Vogels en hondjes waren in de oudheid geliefde huisdieren, die vaak op grafstèles van kinderen werden afgebeeld, mogelijk als verwijzing naar het plezier van de jeugd. De duif was bovendien het symbool van zachtmoedigheid en kinderlijke onschuld. Ook stond deze vogel voor de ziel die na de dood het lichaam verlaat.

Uit Athene

Het grafreliëf werd in 1818 opgegraven door Paul Giuracich, kanselier van Oostenrijk, Spanje en Zweden in Athene. Hij vond het voorwerp bij opgravingen rond een familiegraf op de Heuvel der Graven, iets buiten de oude stadsmuren van Athene. In 1819 kocht de Vlaamse kolonel B.E.A, Rottiers de stèle, die hij in 1821 samen met tal van andere sculpturen uit Athene doorverkocht aan Caspar Reuvens, de eerste directeur van het Rijksmuseum van Oudheden. Zo werd de collectie van het museum met een groot aantal originele Griekse sculpturen verrijkt.

Demeas met duif en hondje

De afbeelding van een andere Attische grafstèle laat in reliëf een jongetje zien met halflang haar, dat volgens de inscriptie Demeas heet. Hij heeft een mantel aan die over zijn linkerschouder is geslagen en zijn bovenlijf en rechterarm grotendeels vrij laat. Ook Demeas staat in de contraposthouding met zijn gewicht rustend op het rechterbeen en het linkerbeen ontspannen. In zijn rechterhand houdt hij een duif vast. Linksonder springt een hondje, een Maltezer leeuwtje, speels naar het vogeltje op. Net als de grafstèle van de naakte jongeman kwam deze gedenksteen via kolonel Rottiers in 1821 in bezit van het Rijksmuseum van Oudheden.

1. De voorwerpen | Relevante voorwerpen