Kunst

Omstreeks de 9de eeuw v. Chr. vertoonden de Griekse kunsten en architectuur nog de stijfheid en statische poses van de Egyptische cultuur. Maar twee eeuwen later voltrok zich een revolutie in de Griekse kunst, vol snelheid en beweging. Het was ‘de meest verbazingwekkende periode in de geschiedenis van de mensheid’.

Kreta

Op het eiland Kreta woonde ver voor de christelijke jaartelling een volk met kunstenaars die beelden en fresco’s maakten, waarin snelheid en beweging op een bijzondere manier tot uitdrukking werden gebracht. Dit kwam eind negentiende eeuw aan het licht toen bij de plaats Knossos het vierduizend jaar oude paleis van de legendarische Kretenzer koning Minos, naamgever van de minoïsche beschaving, werd opgegraven. Wat er aan vondsten werd aangetroffen, wekte alom verbazing en bewondering. Wetenschappers konden nauwelijks geloven ‘dat zo’n vrije en gracieuze stijl zich in het tweede millennium voor onze tijdrekening kon hebben ontwikkeld’, schrijft de Britse kunsthistoricus Ernst Gombrich in zijn standaardwerk The Story of Art.

Egyptische invloed

De kunst van de Kretenzers kreeg navolging op het Griekse vasteland, in het bijzonder in Mycene (1600-1000 v.Chr.), maar ging daar grotendeels verloren door de talloze oorlogen die volgden op het verdwijnen van de Myceense beschaving. Gedurende de eerste eeuwen van het 1ste millennium v.Chr. stonden de Griekse kunsten en de architectuur nog onder grote invloed van het oude Egypte. In die cultuur was volledigheid in de beeldvorming belangrijker dan een weergave van de zichtbare werkelijkheid. Omstreeks de 9de eeuw v.Chr. vertoonde de Griekse kleinkunst de stijfheid van de Egyptische kunst uit het dynastieke Middenrijk (1980-1760 v.Chr.) en het Nieuwe Rijk (1539-1077 v.Chr.): strakke lijnen, statische poses, gebrek aan perspectief en vlakke uitdrukkingen. Van de Kretenzer beweeglijkheid was niets meer over.

‘Grote revolutie’

Maar gaandeweg begonnen Griekse kunstenaars zich vrijer te voelen en creëerden ze steeds vaker beelden en schilderstukken van wat ze in werkelijkheid zagen. Gombrich noemt dit ‘het grote ontwaken’, een proces dat zich voltrok van de 7de tot de 5de eeuw v.Chr. en uitmondde in ‘de grote revolutie in de Griekse kunst’. De kunsthistoricus beschouwt deze tijd als ‘de meest verbazingwekkende periode in de hele geschiedenis van de mensheid’.

Ontwikkelingen

Het was een periode waarin de Grieken zich begonnen af te vragen of de oude tradities en legendes over de goden nog wel klopten. Ze onderzochten ‘de natuur der dingen’. Wetenschap en wijsbegeerte kwamen op. Het Griekse theater maakte zich los van de traditionele ceremonieën. Tempels die door de Perzen waren vernietigd, werden in marmer weer opgebouwd met een ‘pracht en adeldom die nooit tevoren was aanschouwd’ (Gombrich). In dezelfde tijd verkeerde de democratie in Athene op het hoogste niveau van haar bestaan.

Discuswerper

De nieuwe revolutionaire stijl in de kunsten zien we weerspiegeld in de beroemde discuswerper (discobolus) van de Griekse beeldhouwer Myron uit ca. 450 v.Chr., waarvan verschillende kopieën zijn teruggevonden. De houding, uitdrukking en beweging van de atleet zien er zo overtuigend uit, dat hij een voorbeeld is geworden voor discuswerpers en kunstenaars in latere eeuwen. Of het beeld klopt met de werkelijkheid lijkt er weinig toe te doen. ‘Waar het op aankomt’, schrijft Gombrich, ‘is dat Myron de beweging heeft gevangen, net zoals de schilders van zijn tijd de ruimte veroverden.’

Tempel van Athena

Snelheid en beweging komen ook tot uitdrukking in de versieringen van het Parthenon, de tempel van Athena op de Akropolis in Athene (447-437 v.Chr.). Op het fries onder het dak aan de binnenkant kunnen we de marmeren restanten zien (in die tijd nog gekleurd) van een dynamisch tafereel tijdens een jaarlijkse processie ter ere van de godin: een man met schild staat op een wagen met vier galopperende paarden ervoor – alsof de beeldhouwer de gebeurtenis heeft staan filmen. We zien afgetekende spieren en beenderen, diepe concentratie bij de paardenmenner, een fladderende helmbos en een mantel die bol staat in de wind.

Innerlijk leven

In de uitdrukking en beweging van de gebeeldhouwde mens probeerden kunstenaars ook het innerlijk leven, de ‘roerselen van de ziel’, weer te geven, hiertoe aangemoedigd door de filosoof Socrates, die zelf als beeldhouwer was opgeleid. We zien dit terug in beschilderde vazen en andere objecten met taferelen die de gevoelens van de afgebeelde figuren weerspiegelen. Zo kon een eenvoudige grafsteen uitgroeien tot een groot kunstwerk.

Dorisch en Ionisch

Tegen het einde van de 5de eeuw v.Chr. groeide de belangstelling onder de Grieken voor het werk van beeldhouwers en schilders, die steeds als handwerkslieden waren beschouwd, maar nu vaker kunstenaar werden genoemd. In de wereld van de kunsten ontstonden verschillende scholen die zich onderscheidden in methode, stijl en traditie en met elkaar begonnen te wedijveren. Kunstenaars werden daardoor aangezet tot een grotere inspanning en verscheidenheid. In de architectuur werden verschillende stijlen naast en door elkaar gebruikt: Dorisch (Parthenon) en Ionisch (tempel van Erechteion). In de beeldhouw- en schilderkunst zien we een toenemende delicate verfijning optreden in de geest van de Ionische stijl. Schilderijen en beelden werden onderwerp van gesprek zoals gedichten en toneelstukken dat eerder waren geworden. Men sprak over schoonheid, vorm en stijl.

Volmaakte mensen

Praxiteles geldt als de grootste kunstenaar van de 4de eeuw v.Chr. In zijn beeld van Hermes met een nog jonge Dionysos op zijn arm zien kenners als Gombrich een god die voor ons staat in een losse houding, zonder zijn waardigheid te verliezen. Praxiteles ‘kan de zwelling van de spieren en de bewegingen van beenderen laten zien onder de zachte huid en hij kan ons een indruk geven van een levend lichaam in al zijn gratie en schoonheid’. Het was een tijd waarin schilders en beeldhouwers streefden naar een beeltenis van volmaakte mensen, levendig en bezield (de Apollo Belvedere, de Venus van Milo).

Alexander de Grote

Met de komst van Alexander de Grote beleefde de Griekse kunst een expansie die de halve wereld over ging. Griekse kunst werd Hellenistische kunst met een ongekend verspreidingsgebied, tot in India toe. In de welvarende door Alexander gestichte hoofdsteden Alexandrië (Egypte), Antiochië (Syrië) en Pergamon (Klein-Azië) kregen kunstenaars te maken met andere eisen die aan hun kunst werden gesteld dan ze in Griekenland gewend waren geweest. De Dorische en Ionische stijl in de architectuur volstonden niet meer. De Korintische stijl, met bladeren rondom het kapiteel boven de zuilen, kreeg de voorkeur. De beeldhouwkunst kreeg een weelderige stijl die goed paste bij de pracht en praal van die tijd.

Laocoön-groep

De verfijning van voorheen raakte op de achtergrond. Beeldhouwers kozen voor dramatiek en heftige taferelen. Een overweldigend voorbeeld daarvan is de Laocoön-groep (waarvan het Rijksmuseum van Oudheden een kopie in huis heeft). We zien de Trojaanse priester Laocoön en zijn twee zonen die door twee enorme zeeslangen worden gegrepen en verstikt. Het is de straf van de goden die Troje wilden vernietigen en zich gedwarsboomd voelden toen Laocoön zijn volk waarschuwde voor het gevaar van het reusachtige, met Griekse soldaten gevulde paard dat binnen de muren zou worden gehaald.

Sieraden

Op het gebied van de edelsmeedkunst beleefde Griekenland een soortgelijke ontwikkeling als in de beeldhouwkunst en architectuur. Kreta liep in 2000 v.Chr. qua techniek en vormgeving voorop. Eeuwen later begonnen de Myceners (ca. 1600-1000 v.Chr.) de sieraden van Kretenzer ambachtslieden te kopiëren – tot de Myceense beschaving van de aardbodem verdween. Pas tijdens de economische opleving in de 9de eeuw v.Chr. en later kwam de ware edelsmeedkunst in Griekenland tot ontwikkeling.

Technieken uit Voor-Azië

Evenals op andere terreinen lieten de Grieken zich hierbij inspireren door de kennis en kunde uit Voor-Aziatische gebieden, zoals Mesopotamië (het huidige Noord-Irak en Syrië). Daar haalden ze onder andere de kunst van het filigrain vandaan, een vorm van smeedwerk met gedraaid draad van goud of zilver dat in een bepaald motief aan elkaar werd gesoldeerd. Soms werden daar patronen met kleine goudbolletjes aan toegevoegd (granulatie). Behalve deze technieken leerden de Grieken ook andere dingen van hun Voor-Aziatische buren, zoals emailleren, vergulden, verzilveren, graveren en het werken met gehamerd bladgoud.