Klik nogmaals op de knop om de filters te resetten Sluiten

Canoop uit Sarteano

Etruskische canopen zijn potten van aardewerk met een deksel in de vorm van een gezicht. Ze dienden als crematie-urn. Het hoofd werd door de Etrusken als het belangrijkste onderdeel van het lichaam gezien. Dit peervormige type vaas heeft een kop met strenge gelaatstrekken, zoals zware wenkbrauwen, een strakke blik, een rechte neus en mondhoeken die recht naar beneden wijzen. Bovenop het hoofd met kroeshaar bevindt zich een brandgat, om de lucht tijdens het bakken te laten ontsnappen. Door de wijde handvatten zijn twee losse armen gestoken.

De canopen uit Chiusi en omgeving vormen een intrigerende groep voorwerpen. Canopen zijn aardewerken potten met een deksel in de vorm van een menselijk gezicht. Soms zijn armen in reliëf op de pot weergegeven, of los in handvatten gestoken. De naam canoop is in de negentiende eeuw afgeleid uit een vermeende verwantschap met voorwerpen uit het oude Egypte: urnen met een deksel in de vorm van een mensen- of dierenhoofd, waarin de ingewanden van een te mummificeren overledene werden geplaatst en bijgezet. De Etruskische canopen hebben een geheel andere functie: zij werden gebruikt als crematie-urn en diep onder de grond begraven in een putgraf. Ze staan hiermee in de oude Villanova-traditie.

In Etrurië kwamen vele lokale tradities en gebruiken voor. De gewoonte om de doden te cremeren was in de loop van de oriëntaliserende periode vervangen door inhumatie: in de rijke gebieden langs de Tyrrheense kust in enorme grafheuvels (tumuli), in de binnenlanden in eenvoudige greppelgraven. Op enkele plaatsen bleef de bevolking nog vasthouden aan het crematie-gebruik, maar uitsluitend in het gebied rond Chiusi (ten zuidwesten van het Trasumeense Meer) komen asurnen voor met menselijke trekken.

De ontwikkeling van deze canopen is goed te volgen. De vroegste canopen (ca. 650-625/600 v.Chr.) hebben een plat dekseltje in de vorm van een kalotje of nap. Dit nap-type geeft zeer schematisch een aanduiding van een menselijk gezicht: mond, neus en ogen. Opvallend is, dat in deze periode soms ook een bronzen masker als bijgift wordt meegegeven, dat echter niet op het deksel bevestigd werd. Van ca. 625 tot ca. 600 v.Chr. komt het zogenaamde maskertype in zwang: het deksel is aan de voorzijde plat en voorzien van een maskerachtig portret.

Interessant is dat langs het ‘masker’ en rond de ogen en de mond gaatjes geboord zijn, alsof nog iets op dit deksel bevestigd is geweest. De functie van de gaatjes is onduidelijk: hebben ze te maken met de dodencultus, was een (bronzen) masker hierop bevestigd, of zijn ze slechts als decoratie aangebracht? Tussen ca. 600 en ca. 550 v.Chr. komt onder invloed van voorbeelden uit de Griekse sculptuur het kubieke type tot ontwikkeling: een vierkante kop met grote amandelvormige ogen. Dit type ontwikkelt zich verder tot het plastische type (ca. 550 – ca. 500), dat een volledig ontwikkelde kop laat zien met anatomische details, zoals wenkbrauwen, pupillen, adamsappel en baard. De vorm van de potten toont invloed van de contemporaine Griekse keramiek.

Net als de bikonische Villanova-urnen stonden de canopen onder de grond opgesteld in een putgraf. De canopen werden echter op een troon van terracotta of van brons geplaatst. Voor de troon stond een tafeltje opgesteld met etenswaren. Er zijn aanwijzingen dat de canopen werden versierd: ze waren in felle kleuren beschilderd, vrouwencanopen droegen pruiken, en er zijn resten van manteltjes gevonden, die de canopen bij hun dodenmaaltijd droegen. De sociale status van de overledenen moet hoog zijn geweest. De troon wijst hierop, maar ook het feit dat de handen van de canoop in een enkel geval wapens vasthouden.

Deze canoop werd in maart 1829 door kolonel J.E. Humbert aangekocht in Arezzo. Volgens opgave van de herkomst stamt het stuk uit Sarteano, een stadje in de nabijheid van Chiusi. De canoop behoort tot het zogenaamde plastische type en toont het uiterlijk van een streng kijkende man. Boven op het hoofd bevindt zich een brandgat, bedoeld om de lucht tijdens het bakken te laten ontsnappen. Vanuit deze ‘kruin’ kroest het haar naar beneden. Door de weergave van de pupil is de blik strak, nog geaccentueerd door de zware geïnciseerde wenkbrauwen. De neus is recht, de mondhoeken wijzen naar beneden. In de keel is een adamsappel te zien. De urn zelf is peervormig met wijde handvatten, waarin twee armen zijn gestoken. Het hoofd werd door de Etrusken als het belangrijkste, meest individuele element van het lichaam beschouwd, en krijgt derhalve de meeste nadruk. De ontwikkeling van het portret werd hiermee in gang gezet.

Etrusken | Relevante voorwerpen

Bezoek ons: