Tuniek van een overleden Koptisch kind

De eeuwenoude Egyptische begrafeniscultuur kwam abrupt tot een einde toen keizer Theodosius in het jaar 392 een verbod uitvaardigde voor niet-christelijke godsdiensten in het Romeinse rijk dus ook in Egypte. Tempels werden gesloten of als kerken ingericht. Heidense erediensten mochten niet meer. Het balsemen en mummificeren van de doden was taboe. Het Edict van Theodosius had ook grote invloed op het dagelijks leven. Honderdduizenden priesters, ambtenaren en pachters werden getroffen door een herindeling van de uitgebreide tempelgronden. De hiërogliefen en het demotische schrift maakten plaats voor een Griekse volkstaal.

Koptische kleding voor de doden

Toen de Arabieren in 639 na Christus het land rondom de Nijl veroverden, noemden zij de inheemse bevolking ‘Kopten’, een verbastering van het Griekse ‘Aigyptioi’. Zo komt het dat wij spreken van de Koptische cultuur als we het erfgoed van de christelijke Egyptenaren bedoelen. In tegenstelling tot hun voorgangers begroeven de christelijke Kopten hun doden gekleed. Zij hechtten geen waarde aan het conserveren van het lichaam. Alleen het behoud van de ziel was voor hen belangrijk. De kleding van de Koptische doden was gemaakt van linnen, maar ook van wol, een materiaal dat in de faraonische tijd nog als onrein werd beschouwd. Tussen 332 en 30 v.Chr. werd er ook zijde uit China en katoen uit India gebruikt. Door het droge klimaat is veel van dit textiel bewaard gebleven, behalve kleding ook gordijnstoffen, kussenovertrekken, kleden en andere weefsels voor huishoudelijk gebruik.

Tuniek

Op de afbeelding zien we een tuniek van een overleden kind uit de Koptische periode. Het moet tussen de achtste en tiende eeuw na Christus zijn begraven. Het kledingstuk bestaat uit een voor- en een achterpand die met de mouwen aan n stuk zijn doorgeweven. De halsuitsnijding is met een apart geweven inzet versierd, hetzelfde doorlopende bloempatroon als van de twee clavi (schouderbanden), maar dan met een gestileerd bladmotief. De schouderbanden eindigen onderaan in een gestileerde lotusbloem. De onderrand en n manchet zijn voorzien van apart aangebrachte franje. De zijnaden zijn afgewerkt met een feston (geborduurde rand) en een dik koord. De tuniek is van wol. Toen het kledingstuk werd gekocht, was nog duidelijk te zien hoe het stuk met grove steken was ingenomen. De tuniek was op de groei gemaakt en aangepast voor een klein kind. Sinds de restauratie is daar niets meer van te zien.

Vroege Koptische periode

Tunieken als deze zijn ook afgebeeld op de zogenoemde Fayoem-portretten (tweede en derde eeuw na Christus) en op beschilderde lijkwades uit de Romeinse tijd. Daar zijn de schouderbanden nog in een effen kleur uitgevoerd. In de vroege Koptische periode ontwikkelden de wevers een veel kleuriger en decoratievere stijl. Op weefsels uit die tijd zien we een bont palet van mensen, dieren en planten, vaak in herhaalde patronen. Soms zijn het scènes of losse figuren uit de Grieks-Romeinse mythologie, met bijvoorbeeld nimfen, satyrs en centauren, en dansers en muzikanten die duiden op de invloed van de Bacchus-cultus.

De voorwerpen | Relevante voorwerpen