Klik nogmaals op de knop om de filters te resetten Sluiten

De eerste Nederlandse opgraving in Voorburg

Caspar Reuvens (1793-1835), de eerste directeur van het Rijksmuseum van Oudheden (RMO), begon in 1827 vol goede moed aan de eerste officiële opgraving in Nederland op het landgoed Arentsburg in Voorburg. Hij kon toen nog niet bevroeden hoe moeizaam zijn archeologische zoektocht zou verlopen. De museumdirecteur en eerste hoogleraar archeologie werd herhaaldelijk de voet dwars gezet door een adellijke buurman die pal naast het landgoed woonde. Bovendien had Reuvens te kampen met tussentijdse bezuinigingen en incidentele tegenwerking van het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Forum Hadriani

Uiteindelijk werd er op Arentsburg een groot aantal objecten uit de Romeinse tijd naar boven gehaald en kwam Reuvens tot de conclusie dat dit de plek moest zijn waar de stad Forum Hadriani had gelegen, de hoofdstad van de geromaniseerde Cananefaten en naast Nijmegen de enige plaats met stadsrechten in Romeins Nederland. De eerste aanwijzing dat het Voorburgse landgoed aan de Vliet een interessant archeologisch onderzoeksterrein kon zijn, was een Romeinse bronzen hand, afkomstig van een standbeeld, die in 1771 op Arentsburg was gevonden. Reuvens vernam dat de eigenaar de hand wilde verkopen en ook dat het landgoed zelf te koop zou komen te staan. Hij aarzelde geen moment en stelde het ministerie van Binnenlandse Zaken in 1826 voor Arentsburg en bijbehorende landerijen aan te kopen en die aan hem ter beschikking te stellen voor de duur van de opgravingen, geschat op twee jaar. Nog voordat de kosten van de opgravingen duidelijk waren, kocht het ministerie het landgoed twee maanden daarna.

Tegensputterende jonkheer

De eerste strubbelingen met het departement staken de kop op toen Reuvens na enig geharrewar zijn kostenraming indiende: vijfduizend gulden voor het opgravingsjaar 1827. Het ministerie maakte bezwaar, maar ging uiteindelijk morrend door de knieën. Reuvens kreeg zijn geld en mocht voorlopig op het landgoed gaan wonen ‘ter besturing der opdelvingen’. De buurman van Arentsburg, jonkheer H.J. Caan, directeur-generaal bij de Raad van State en eigenaar van het aanpalende landhuis Hoekenburg, begon tegen te sputteren toen Reuvens hem het recht van overpad op het landgoed wilde ontnemen om ongewenst bezoek tijdens de opgravingen tegen te gaan. De jonkheer was ook bezorgd over zijn uitzicht, omdat Reuvens alle bomen op Arentsburg wilde laten rooien en van het hout een afrastering wilde laten maken rondom zijn onderzoeksterrein.

Landgoed geveild

Caan schakelde op hoge toon de minister van Binnenlandse Zaken in. Die besloot dat het voetpad moest worden verlegd. Wel kreeg de jonkheer de sleutels van de hekken rondom het landgoed en bleven er voorlopig twintig beuken- en drie eikenbomen langs zijn Hoekenburg staan zolang er geen archeologische noodzaak was om ze te kappen. Zo werden de kool en de geit gespaard. Maar de toon was gezet. Enkele jaren later zou jonkheer Caan opnieuw proberen de archeologische activiteiten van Reuvens naar zijn hand te zetten door Arentsburg aan te kopen. Wat hem uiteindelijk in 1834 lukte toen het landgoed werd geveild.

Opgravingsverslag van Reuvens

In 1827 publiceerde Reuvens zijn eerste bevindingen in een verslag van zijn opgravingen. Er waren fundamenten van een gebouw gevonden waarvan de muren nog gedeeltelijk intact waren. Er was een kelder ontdekt waaruit een aantal munten en een bronzen beeldje van een hazewindhond tevoorschijn kwamen. In een nabij gelegen vierkante houten waterput werden metalen voorwerpen gevonden die onder het grondwaterniveau goed bewaard waren gebleven, net als een Romeinse leren schoen. Het opgravingsteam had verder een lange brede muur aangetroffen die de ringmuur van de nederzetting moest zijn geweest, en dakpannen met stempels van het tiende, zestiende en dertigste legioen en van het ‘Leger van Neder-Germania’. Het jaar daarop werd er een aantal kamers met vloerverwarming (hypocaustum) ontdekt en het skelet van een vrouw met sieraden. Reuvens liet het skelet afgieten in gips en stuurde exemplaren ervan naar musea in enkele grote buitenlandse steden.

Kleurenlitho’s

Bij zijn opgravingen bediende Reuvens zich van moderne methoden, waarvan sommige nog steeds worden toegepast. Ronduit vooruitstrevend was zijn initiatief om zijn tekenaars met een steendrukpers kleurenlitho’s te laten produceren van de opgravingstekeningen die ze op Arentsburg hadden gemaakt. De litho’s werden gebruikt voor publicaties. Zijn favoriete tekenaar en lithograaf was Tiemen Hooiberg, die zich binnen het RMO zou ontwikkelen tot een duizendpoot met verantwoordelijkheden voor het beheer, de registratie en presentatie van voorwerpen, en voor restauraties en mummificaties. Hij mocht zich uiteindelijk tooien met de titel amanuensis.

Geen geld meer

In 1829 kreeg Reuvens van het ministerie te horen dat hij zijn onderzoek op Arentsburg moest afronden. Zijn twee jaren zaten erop en het landgoed moest worden verkocht. Onder verwijzing naar het belang van zijn opgravingen en de vertragingen die hij had opgelopen, stribbelde hij tegen en kreeg zijn zin: hij mocht doorgaan tot 1831, maar met een aanzienlijk lager budget, namelijk zestienhonderd gulden per jaar, nog geen derde van wat hij nodig had. De Belgische opstand van 1830 zette een domper op zijn werk. Het rijk zag zich door de afscheiding van de zuiderburen genoodzaakt op een breed terrein te bezuinigen en zette de subsidie voor Arentsburg stop. Reuvens groef vervolgens op eigen kosten verder. Het eind van het liedje was dat de resultaten van de opgravingen op Arentsburg ver beneden de verwachtingen bleven door de ontoereikende financiële middelen na 1830 en de manipulaties van jonkheer Caan.

Eerste archeologische database in Nederland

Reuvens liet zijn aanvankelijke plan varen om een monografie van Arentsburg te schrijven. Hij zou zijn opgravingsgegevens verwerken in wat een groter topografisch geschrift moest worden over heel Romeins Nederland. Daarin moesten ook zijn bevindingen van veldonderzoek in Drenthe, Gelderland en Zeeland een plek krijgen. Door de voortijdige dood van Reuvens in 1835 kon het geschrift niet worden voltooid, maar zijn documentatie zou uitgroeien tot de eerste archeologische database in Nederland.

Bezoek ons: