Klik nogmaals op de knop om de filters te resetten Sluiten

Vuurstenen bijlen

Een onontbeerlijk werktuig voor de eerste boeren was de bijl. Heel Nederland was aan het begin van het neolithicum met bos bedekt. Om aan goede akker- en weidegrond te komen moest dit bos worden ontgonnen. Een deel van de bomen werd omgehakt en het hout gebruikt voor de bouw van huizen, het zetten van erfafscheiding en en het maken van werktuigen. Een andere mogelijkheid om het bos te rooien was het ringen van bomen. De bast werd rondom van een boomstam verwijderd waardoor de boom doodging. Vervolgens werd een bos met dode bomen in de brand gestoken. Ook alleen afbranden kwam voor, maar veel bomen bleven dan overeind staan. Dit maakte de akkerbouw er niet gemakkelijker op.

De bijlen werden gemaakt van steen, vooral vuursteen. Dit vuursteen werd gewonnen in vuursteenmijnen zoals we bijvoorbeeld kennen uit het Zuid-Limburgse Rijckholt en Valkenburg. Ook in Belgi, Frankrijk, Engeland, Duitsland en Denemarken komen mijnen voor. Al deze mijnen getuigen van een groot mijnbouwkundig inzicht van de prehistorische mens. In het kalkplateau bij Rijckholt werden 16 meter diepe schacht en gegraven om de lagen met het zo gewaardeerde vuursteen te bereiken. De schachten hadden een diameter van niet meer dan een meter. In het gebied met de beste vuursteenknollen werden ondergronds horizontale galerij en uitgegraven met behulp van hertshoornen koevoeten en vuurstenen houwelen, ook wel pics genoemd. De beste stukken vuursteen werden naar boven gehesen en het afval werd in de afgewerkte gangen gedeponeerd. Steeds hield men een of meer ondergrondse gangetjes open naar een andere schacht, zodat men in geval van nood kon vluchten. De werkzaamheden waren namelijk niet zonder gevaar. In de kalk bevinden zich allerlei breuken en er komen ook stukken voor waar de kalk geheel is verweerd. In dit verweerde deel, ook wel orgelpijp genoemd, heeft de kalk plaats gemaakt voor een losse vulling vangrind. Als een dergelijke orgelpijp werd aangesneden, kon een mijnwerker bedolven raken. In een Belgische vuursteenmijn werd het skelet van een prehistorische mijnwerker ontdekt die zo bedolven was geraakt. Vlakbij hem werd zijn mijnwerkingsuitrusting, een hertshoornen koevoet, gevonden.

De omvang van een prehistorisch mijnveld kon gigantisch zijn. We denken dat er alleen al bij Rijckholt ongeveer 3000 schachten hebben gelegen, goed voor de productie van miljoenen bijlen! We moeten daarbij niet uit het oog verliezen dat ook rond Rijckholt, bij Valkenburg, Simpelveld, Akenen in de Belgische Voerstreek, vuursteen werd gewonnen. Bovengronds, vlakbij de mijn, werden de knollen vuursteen verwerkt tot halffabrikaten, meestal ruwe bijlen en lange smalle spanen vuursteen, die klingen genoemd worden. De halffabrikaten werden verhandeld en op de plaats van bestemming verder bijgewerkt en eventueel geslepen. In oude leerboekjes staat nog wel eens dat de prehistorische mens de hele winter bezig was om die bijlen te slijpen, maar experimenten hebben uitgewezen dat je met acht uur slijpen al een heel acceptabele bijl krijgt.

De halffabrikaten, de ongeslepen bijlen, werden over grote afstanden ver handeld. Geheel Zuid-Nederland en een deel van het gebied ten noorden van de grote rivieren werd van vuursteen voorzien afkomstig uit onze Limburgse mijnen. In het noorden werd vuursteen uit Noord-Duitsland en Denemarken aangevoerd. De handel had niet een commercieel karakter zoals we die nu kennen. Het is beter om van uitwisseling of ruil te spreken. Via een netwerk van contacten, met korte onderlinge afstanden, werden de bijlen geruild tegen andere producten, zoals voedsel, zout, huiden, verfstoffen en dergelijke. De contacten waren vooral sociaal van aard. Men ruilde dan met verwanten, vrienden en kennissen. Via dit continue proces van uitwisseling verplaatsten de bijlen zich over grote afstanden.

Nederland in de Prehistorie | Relevante voorwerpen

Alle topstukken

Bezoek ons: