Klik nogmaals op de knop om de filters te resetten Sluiten

Thema 1: Grafvelden, hunebedden en urnen

De hunebedden in Drenthe behoren misschien wel tot de bekendste overblijfselen van de grafcultuur uit de nieuwe steentijd (5300-2000 v.Chr.) in ons land. Het waren gemeenschappelijke grafkamers die van grote stenen waren gebouwd door boeren van de zogenoemde Trechterbekercultuur, een verzamelnaam voor verwante gemeenschappen in Noordwest-Europa. Zij danken hun naam aan hun aardewerk met trechtervormige hals. Voor de bouw van de hunebedden moeten groepen en waarschijnlijk verschillende nederzettingen met elkaar hebben samengewerkt om de zware zwerfkeien te verplaatsen, op te richten en te bedekken met een heuvel van aarde. Daar was gemeenschapszin voor nodig, en de intentie om hun doden bij te zetten in een collectief graf.

Bandkeramiek

Het gemeenschappelijk begraven van overledenen zien we bij verschillende opgravingen uit de nieuwe steentijd terug, zoals bij de bandkeramische boeren, zo genoemd vanwege de bandvormige versiering op hun aardewerk. Zij vestigden zich omstreeks 5300 v.Chr. met kleine groepen in het uiterste zuiden van ons land. Ze bedreven er landbouw en veeteelt op de vruchtbare lössgronden van Limburg en begroeven er ook hun doden.

Gehurkt op hun zij

In de buurt van het Zuid-Limburgse Elsloo hebben archeologen restanten van zo’n boerennederzetting blootgelegd, plus een grafveld dat ongeveer honderdvijftig jaar lang in gebruik moet zijn geweest. Het is het grootste grafveld in het zogeheten Graetheidegebied tussen Sittard en Stein. In totaal zijn er 113 graven gevonden, veel minder dan op basis van de omvang en het bestaan van de nederzetting verwacht mocht worden. Dus lang niet iedereen is daar begraven of gecremeerd. De overledenen werden meestal gehurkt op hun zij aangetroffen in kleine grafkuilen. Vrouwen kregen in hun graf vaak versierd aardewerk en maalstenen mee, belangrijk voor de voedselbereiding. In mannengraven worden vaak dissels en vooral pijlpunten gevonden, een verwijzing naar houtbewerking, jacht en mogelijk ook conflicten.

Contact

Tussen de bandkeramische boeren en de jager-visser-verzamelaars moet er contact zijn geweest. De inheemse nomaden namen in de loop van vele eeuwen verder zuidelijk en oostelijk geleidelijk elementen van de agrarische groepen over. Ze begonnen met het domesticeren van dieren, vervolgens gingen ze graan verbouwen en uiteindelijk verbleven ze op een vaste plek. Waarschijnlijk namen ze ook de collectieve grafcultuur van de boeren over, of delen daarvan.

Swifterbant

Een van deze groepen behoorde tot de Swifterbant-cultuur (vanaf 5000 v.Chr.) die zich manifesteerde in de deltagebieden van de Maas en de Rijn en verder noordelijk in het huidige Flevoland en de Noordoostpolder. Zij maakten als eersten aardewerk op basis van een inheemse traditie, mogelijk geïnspireerd door boerengemeenschappen, maar wel met een eigen techniek. Later gingen ze dieren houden en kleinschalige akkerbouw bedrijven. Op diverse plekken, onder andere bij de plaats Swifterbant in oostelijk Flevoland, zijn groepen graven van deze cultuur gevonden.

Trechterbekercultuur

De eerste boeren van de Trechterbekercultuur (3400-2900 v.Chr.) verschenen op de zandgronden in het noorden. Zij worden hunebedbouwers genoemd omdat het hunebed in onze ogen het meest kenmerkende element vormt van hun cultuur. De Trechterbekerboeren bouwden hunebedden tot ongeveer 3000 v.Chr. Daarna werden deze graven eeuwenlang hergebruikt.

Grafgiften

Het gemeenschappelijk begraven van de doden zien we in de periode 3400-2900 v.Chr. ook terug in het grafritueel, zoals bij een 15,5 meter lang hunebed in Drouwen (Dr.). Daar werden over een reeks van honderden jaren tientallen overledenen bijgezet met grafgiften als jachtgerei, bijlen, voedsel en honderden potten. Rondom de hunebedden zijn sporen gevonden van uitgebreide ceremonieën en rituelen. Daar kunnen we uit afleiden dat de grafkamers belangrijke regionale centra waren, zowel voor de doden als voor de levenden.

Grafkelder

Waar de hunebedden in het noorden een zichtbaar onderdeel waren van het landschap, lijken de boeren in het zuiden hun grafcultuur minder monumentaal te hebben uitgedragen. Een uitzondering daarop vormt een langwerpige grafkelder van 5,5 meter, waarvan de bodem, een keienvloer, werd blootgelegd bij de opgraving van een bandkeramische nederzetting in de buurt van het Limburgse Stein. Paalsporen duidden op de vroegere aanwezigheid van een houten dakondersteuning. Het graf was onderverdeeld in drie kamers en bevatte de crematieresten van 42 personen, onder wie 36 volwassenen. Daarnaast werden er 1045 vuurstenen pijlpunten, benen pijlpunten, aardewerk en een bijl aangetroffen. Het was een zeldzame vondst, waaruit onder meer kon worden opgemaakt dat er regionale verschillen bestonden tussen noord, zuid en de delta. Bovendien – niet onbelangrijk – kwamen sommige culturele en materiële aspecten van die regio’s kennelijk ook samen op plaatsen als Stein.

Klokbekercultuur

Tijdens de Enkelgrafcultuur (2900-2500 v.Chr.) ontstond de gewoonte om de doden in grafheuvels te begraven. Groepen van de Klokbekercultuur (2500-2000 v.Chr.) zetten die gewoonte voort. (De naam Klokbekercultuur is ontleend aan de kenmerkende gedrongen ‘klokbeker’ met motieven op de wand.) Het privilege van een teraardebestelling in een grafheuvel was voornamelijk weggelegd voor leden van de elite, die ook speciale grafgiften meekregen. Op bijgaande afbeelding van verschillende voorwerpen uit een grafheuvel in Garderen zien we dat terug.

Grafheuvels

Grafheuvels zijn de meest voorkomende prehistorische monumenten in Nederland. Er zijn er zo’n drieduizend bekend, waarvan ten minste 150 uit de nieuwe steentijd. De graven lagen vaak in oost-westrichting. Tijdens de Enkelgrafcultuur lagen de mannen met opgetrokken knieën op hun linkerzij en de vrouwen op hun rechter. De Klokbekercultuur geeft weer een ander beeld te zien: mannen op hun rechterzij, vrouwen op hun linker. Waarschijnlijk is deze wijze van begraven bij de Enkelgrafcultuur ontstaan onder invloed van migranten uit het oostelijk steppengebied.

Rijke graven

De grootte van de heuvel, de locatie en de bijgaven vormen wellicht een aanwijzing voor de status van de overledene. Mogelijk behoorden de rijkste graven toe aan mannen die getuige hun grafgiften een belangrijke rol hadden gespeeld in netwerken waarin kennis, diensten en goederen werden uitgewisseld. Een archeologische vondst in Lunteren op de Veluwe is daar een voorbeeld van. Daar werden in een grafheuvel een rijk versierde beker, pijlpunten en een dun doorboord plaatje gevonden. Dergelijke plaatjes werden gebruikt als polsbeschermers bij het boogschieten; ze moesten de klap van de boogpees opvangen. Samen met de pijlpunten vormen ze een indicatie voor het bestaan van een boogschutterscultus en voor krijgerswaarden in de samenleving. Interessant aan dit graf is vooral dat er ook zogenoemde kussenstenen zijn aangetroffen, die als aambeeld dienden, plus een metalen tongdolk en priem. Deze voorwerpen vormen het vroegste bewijs voor het gebruik van metaal in ons land, wat een sterk veranderende wereld inluidde.

Urnen

Na de grafheuvels in de vroege- en midden-bronstijd (resp. 2000-1800 v. Chr. en 1800-1100 v. Chr.) zien we het grafritueel in de late bronstijd (1100-800 v. Chr.) op Europese schaal veranderen. De overledenen werden gecremeerd en hun asresten werden samen met grafgiften (mantelspelden, naalden, kleine potjes) bijgezet in een urnenveld onder een kleine heuvel, vaak omgeven door een greppel. Het begraven onder een heuvel was daarmee niet van de baan. De grafcultuur kwam in een overgangsfase terecht, met een crematieritueel en de idee dat nu voortaan iedereen moest kunnen worden gecremeerd of begraven, in plaats van een selecte groep. De urnenvelden sloten soms aan bij oudere grafheuvels en fungeerden vaak eeuwenlang als begraafplaats voor één of meer families. Regionaal verschilden ze nogal. In de urnenvelden zien we zowel vierkante grafstructuren met zogenoemde dodenhuisjes als ronde en langgerekte vormen (langbedden). Tijdsverschil speelt hier soms een rol.

Status

In de vroege ijzertijd (800-500 v. Chr.) was het belangrijk voor leiders of krijgsheren om hun status te laten zien. Dat gebeurde onder meer met paardentuig, wapens en sieraden, die vaak als offer in graven werden meegegeven. Mogelijk is dat ook het geval geweest in de late ijzertijd (250 v. Chr. en later). Een voorbeeld daarvan zien we langs de Maas, waar gouden en zilveren voorwerpen, wapentuig, aardewerk en voedselresten van Keltische stammen zijn gevonden. Deze voorwerpen duiden op een cultusplaats, mogelijk gewijd aan de god van de rivier. Soortgelijke offergaven zijn aangetroffen in een heiligdom bij het zuidelijker gelegen Empel. Van oorsprong was dit een cultusplaats van de Eburonen, een Keltische stam die in 54 v. Chr. anderhalf Romeins legioen in de pan hakte bij Tongeren.

Bezoek ons: