Klik nogmaals op de knop om de filters te resetten Sluiten

Prehistorische schoenen

Organische resten, zoals hout, been, gewei en leer doorstaan de tand des tijds slecht. Alleen als de conserveringsomstandigheden optimaal zijn, is er een mogelijkheid dat dergelijk organisch materiaal bewaard blijft. De gebieden die aan deze condities voldoen zijn de uitgestrekte venen in Drenthe en aangrenzend Duitsland. De toenemende industrialisatie in de negentiende eeuw en de alsmaar groeiende vraag naar brandstof zorgden er voor dat deze venen werden afgegraven. Het was met name de groeiende vraag naar brandstof in het stedelijke westen van Nederland dat leidde tot investeringen in de ontginning van het arme Drenthe. Naar die investeerders werden de nieuwe plaatsen genoemd: Nieuw-Amsterdam, Nieuw-Dordrecht en Hollandse Veld. Ondanks het grootschalige karakter van de ontginningen werd dit afgraven grotendeels nog met schop en kruiwagen gedaan. Daardoor konden tijdens het werk oudheidkundige voorwerpen goed herkend gespaard worden. Het is ook uit die tijd dat vele vondsten uit het veen verzameld werden. Sinds de mechanisatie van de veenontginningen worden nog nauwelijks oudheidkundige vondsten gedaan.

In de 19de eeuw konden de slecht betaalde veenarbeiders er met dergelijke vondsten nog wat bij verdienen. Veel van deze voorwerpen werden verkocht aan liefhebbers in de oudheidkunde, die ze later weer aan musea verkochten of schonken. Een tweede reden dat dergelijk vondsten hier goed bewaard zijn gebleven, heeft te maken met de hoge zuurgraad van het veen. Bot lost daar meestal in op, maar juist leer en hout blijven goed bewaard. De meest in het oog springende vondsten waren de houten veenwegen en de grote wagenwielen, maar ook kleinere vondsten werden door de veenarbeiders herkend en geborgen.

Van voorwerpen die toen zijn aangetroffen, vallen vooral de schoenen op. Hoe ze gevonden werden is nog goed te achterhalen. Alle exemplaren zijn door de veenschop in tween gestoken en naderhand weer aan elkaar genaaid. Voor de veenarbeiders waren ze goed herkenbaar en aanmerkelijk minder geheimzinnig dan de talrijke ook in het veen gevonden ‘donderkeilen’: stenen bijlen.

De oudste Nederlandse schoen komt uit het Buinerveen en dateert uit het laat-neolithicum. Dit soort schoenen werd gemaakt van runder- ofkalfsleer. Een stuk gelooide huid werd uitgesneden en in de rand van de schoen werden gaatjes aangebracht waar doorheen een veter werd getrokken. Alleen de hiel werd genaaid. De pasvorm ontstond doordat de schoenen nat aan werden getrokken, vervolgens de veters strak werden vastgetrokken en men daarna de schoenen liet drogen. Het met haar bedekte gedeelte van de huid, eventueel gedeeltelijk onthaard, zat aan de buitenzijde.

Deze eenvoudige vorm van de schoen bleef lang in gebruik. Een aanwijzing hiervoor is de schoen van een vrijwel vergelijkbaar model, die afkomstig is uit Emmererfscheideveen. Hierin zaten nog resten van veen. Het veen bevatte stuifmeelkorrels, die een globale datering mogelijk maakten. Het bleek dat dergelijke schoenen in de late bronstijd nog in de mode waren.

In de ijzertijd traden er veranderingen op. De schoenen werden ingewikkelder van vorm. In het gedeelte waar de voorzijde van de voet in past, het zogenaamde voorblad, werd het bovenleer zorgvuldig uitgesneden. Dit is goed te zien op de exemplaren uit Weerdinge. De ontstane openingen zorgden, na het aantrekken van de veter, voor een betere pasvorm. Deze vorm bleef tot ver in de Romeinse periode in zwang.

Nederland in de Prehistorie | Relevante voorwerpen

Alle topstukken

Bezoek ons: