Klik nogmaals op de knop om de filters te resetten Sluiten

Prehistorisch aardewerk

Het aardewerk uit de Late Bronstijd en de IJzertijd uit Nederland wordt gekenmerkt door een sterke regionale versnippering. Dit in tegenstelling tot de Vroege Bronstijd, toen heel Nederland, weliswaar in zuid en noord verdeeld, een vrijwel uniforme culturele traditie had.

De regionale versnippering is vooral herkenbaar in het aardewerk. Dit werd lokaal vervaardigd. Op grond van etnografische waarnemingen is het aannemelijk dat vooral vrouwen dit aardewerk maakten. De draaischijf kende men in die tijd nog niet, zodat alle potten met de hand werden gevormd. In de omgeving van de nederzetting werd geschikte klei verzameld. Die werd verschraald met kapot geslagen scherven van oud aardewerk zodat een chamotte ontstond. Ook andere materialen konden hiervoor gebruikt worden als mest, steen, grassen, as, bot en schelpen. De verschraling was nodig om te sterke krimp tijdens het drogen tegen te gaan. Die krimp kon barsten en scheuren veroorzaken, waardoor een pot voor of tijdens het bakken uit elkaar viel.

De pot werd opgebouwd uit rollen klei die stevig aan elkaar gekneed werden. Vervolgens werd het oppervlak glad gemaakt of door middel van spatels en simpele indrukken van de vingertoppen versierd. Een andere bewerking was polijsten. Met behulp van een steentje werd het oppervlak zo glad gemaakt dat het ging glimmen. Weer een andere behandeling bestond eruit het oppervlak opzettelijk te ruwen door er een kleipapje tegen aan te smijten. De potten die deze laatste bewerking hadden ondergaan, wordt ‘besmeten aardewerk’ genoemd. Na het vormen werd de pot te drogen gezet en als deze voldoende droog was, gebakken in een open vuur of primitieve oven. Een open vuur kan al een temperatuur van circa 800 C ontwikkelen, wat voldoende is voor een stevig baksel. Toch vinden we in deze tijd al de eerste primitieve veldovens. Dit waren eenmalig gebruikte ovens, geheel opgebouwd uit leem waar het aardewerk in gebakken werd. Pas uit de Romeinse tijd kwamen ovens voor die telkens opnieuw gebruikt konden worden.

De verschillen in het aardewerk zijn deels te herleiden tot degene die het gemaakt heeft. Immers, de kleinschalige huishoudelijke productie zorgt voor veel verschillen die als het resultaat van de ambachtelijke kwaliteiten van de maakster zijn te beschouwen. Toch zien we ook grote regionale verschillen. Het terpengebied en West-Nederland hebben eigen aardewerkstijlen, alsook de droge delen van Nederland. Een paar voorbeelden kunnen eruit gelicht worden.

In de droge delen van Nederland kwam veel aardewerk voor dat genoemd is naar het plaatsje Harpstedt bij Hannover. Het gaat om aardewerk met een besmeten oppervlak en een naar buiten staande rand waarop vaak vingertopindrukken zijn aangebracht. Ook op de schouder kan een verdikte rand met vingertopindrukken aanwezig zijn (zie bovenste afbeelding, voorste pot). Een ander veel voorkomend type was het Kalenderberg-aardewerk. Dit aardewerk heeft een sterke plastische versiering met vingertopindrukken (zie bovenste plaatje, achterste pot). In Noord-Nederland komt aardewerk voor met ingekraste geometrische versieringen, naast vrijwel onversierde potten met hoog geplaatste oren. In West-Nederland is het aardewerk daarentegen weer rijk versierd met vingertopindrukken en lijnmotieven.

Ondanks deze verschillen signaleren we op een ander vlak weer veel overeenkomsten. Over grote delen van Noordwest-Europa zien we uniforme verschijnselen, zoals de aard van de politieke en sociale organisatie en de behandeling van de doden. De regionale variatie in de IJzertijd hoeft dus niet te betekenen dat de ijzertijdgemeenschappen cultureel sterk versnipperd waren.

Nederland in de Prehistorie | Relevante voorwerpen

Alle topstukken

Bezoek ons: