Klik nogmaals op de knop om de filters te resetten Sluiten

Inleiding Nederlandse prehistorie

1. Algemeen

1.1 De mens afhankelijk van het milieu

Zure regen, gaten in de ozonlaag, gifbelten en een vervuilde zee. Het zijn kenmerken van deze tijd die ons pijnlijk duidelijk maken hoe belangrijk de relatie tussen mens en milieu is. Door de hedendaagse sterk gendustrialiseerde en technologische samenleving leek het of we alles konden maken en niet meer afhankelijk waren van het ons omringende milieu, dat miljoenen jaren zijn beperkingen aan de mens had opgelegd. Deze relatie van de mens met zijn omringende milieu is juist als een rode draad zo goed in de ontwikkeling van prehistorische samenlevingen te volgen. De grote afhankelijkheid van het milieu is al direct duidelijk bij onze vroegste voorouders. Die leefden van wat ze aantroffen in denatuur: eetbare planten, wortels, noten, vruchten en resten gestorven of door andere dieren gedode prooien. Geleidelijk aan begon de mens ook zelfstandig te jagen en te vissen. Miljoenen jaren lang zou de mens jager, visser en verzamelaar zijn en exploiteren wat de natuur hem bood. Ongeveer 12.000 jaar geleden kwam daar verandering in. Men ontdekte dat het milieu gemanipuleerd kon worden. Geleidelijk aan werden voedselgewassen ontwikkeld en dieren getemd. Men werd minder afhankelijk van de natuur: de mens werd boer en produceerde zelf zijn voedsel. Dit proces van een verminderende afhankelijkheid van de natuur zette door. Door de hedendaagse biotechnologische technieken resulteert dit in producten die we nu in de winkels aantreffen die niet of nauwelijks meer met ons omringende milieu van doen hebben. Denk maar aan textiel en kaas gemaakt van plantaardige eiwitten en kunstvlees.

De sterkere onafhankelijkheid van wilde voedselbronnen had ook grote sociale gevolgen. Men hoefde niet meer rond te trekken en kon op n plaats blijven wonen. Bezit kon gevormd worden zodat er verschillen ontstonden tussen rijk en arm. Ook de machtsverhoudingen veranderden zodanig dat ze uiteindelijk resulteerden in zelfstandige politieke staten.

1.2 Hoe kijk je naar de prehistorie?

De reconstructie van de prehistorie is geen eenvoudige zaak. Archeologen kunnen niet in een tijdmachine stappen of een videofilm bekijken om erachter te komen wat de mens at en zoal de hele dag deed. Uit de prehistorie kennen we bovendien geen teksten. Het enige wat archeologen tot hun beschikking hebben, zijn de gebruiksvoorwerpen die men in het verleden heeft achtergelaten of andersoortige sporen die door hun activiteiten zijn veroorzaakt. Door deze voorwerpen en sporen zorgvuldig te bestuderen en in een onderliggende relatie te plaatsen, probeert de archeoloog te reconstrueren hoe de mens vroeger leefde. Maar objectief kan een archeoloog nooit zijn. Altijd speelt in de reconstructie onze hedendaagse samenleving een rol. Zo plaatste men 120 jaar geleden het maken van vuurstenen bijlen in de context van de industrile revolutie: de bijlen werden in een ‘fabriek’ gemaakt. In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw was er een tendens het rationele en sterk economische karakter van de moderne maatschappij te vergelijken met het verleden. De archeoloog beschouwt de mens nogal eens, en dan vaak onbewust, als een ‘Homo economicus’. Tegenwoordig kent men de mens weer een grotere eigen rol toe, maar nog steeds binnen de kaders van economie en milieu.

Dat het accent bij de reconstructie gelegd wordt op de economie is ook wel te begrijpen. De meeste vondsten hebben daar betrekking op: pijlspitsen, bijlen, aardewerk, maalstenen, botten en huisplattegronden. Het is bijzonder moeilijk om uitspraken te doen over de aard van de sociale organisatie, rituele handelingen en religie. Voorwerpen die met dergelijke activiteiten te maken hebben, zijn schaars en daarbij is het moeilijk de oorspronkelijke betekenis vast te stellen. Toch is het de belangrijkste uitdaging voor de moderne archeoloog om juist die sociaal-culturele achtergrond te achterhalen.

2. Mensen, mensapen, apen

2.1 Vroege mensen?

Het tumultueuze onderzoek naar de oorsprong van de mens gaat zo snel dat hetgeen nu opgeschreven is, over enkele weken al weer verouderd kan zijn. Het idee dat bisschop Ussher uit Ierland en dr. John Lightfoot uit Cambridge in de 17de eeuw hadden over het ontstaan van de mens, vindt niet veel aanhang meer. Aan de hand van de bijbel stelden zij vast dat de eerste mens op 23 oktober 4004 voor Chr. om negen uur in de ochtend door God geschapen was. Algemeen gaat men er nu van uit dat de mens via een langdurig evolutieproces is geworden tot wat hij nu is. Zijn oorsprong lag in Afrika. De eerste mensachtige (hominide) die duidelijk van de primaten kan worden onderscheiden is de Australopithecus. Deze was ongeveer 1,20-1,40 meter groot, liep rechtop en leefde 4,5 miljoen jaar geleden in Afrika. De schedelinhoud – die paleo-antropologen altijd een belangrijke aanwijzing voor de geestelijke vermogens van hominiden vinden – bedroeg 375-500cc. De moderne mens beschikt over 1450cc. Deze Australopithecen maakten nog geen voor ons herkenbare werktuigen. Alleen stenen werktuigen blijven immers bewaard, maar werktuigen die chimpansees nu gebruiken zoals stokken en takken kunnen ook door de Australopithecus gebruikt zijn. Het beeld dat we ons van de leefwijze van deze mensachtigen moeten vormen, is een van de grootste problemen van de hedendaagse archeologie. Er zijn geen moderne voorbeelden meer van hominiden. We hebben dus geen vergelijkingsmateriaal voor de reconstructie van hun gedrag. Aan een kant kunnen we er onze eigen levenswijze ermee vergelijken en aan de andere kant die van primaten als bavianen en chimpansees. Het gedrag van hominiden zal zich tussen deze twee uitersten bevinden. Dit reconstructieprobleem geldt voor de gehele menselijke evolutie.

2.2Homo habilis en Homo erectus

De eerste, vaak moeilijk herkenbare werktuigen werden gebruikt door de Homo habilis. Zijn hakwerktuigen werden gemaakt van gladde rivierrolstenen, zogenaamde pebbles. Resten van de Homo habilis zijn ook alleen uit Afrika bekend en hebben een ouderdom van 2,5 tot 1,6 miljoen jaar. Zijn opvolger, de Homo erectus, maakte een zeer belangrijke stap voorwaarts. Vanuit de primitieve werktuigen zou hij de bekende vuistbijl ontwikkelen. Nog belangrijker is het feit dat deze soort uitwaaierde over de andere werelddelen. Rond 700.000 jaar geleden trokken ze Europa binnen. Homo erectus was als eerste in staat zich aan een nieuwe omgeving aan te passen, want het klimaat en het landschap in Europa verschilde nogal van dat in Afrika. De eerste kolonisatie beperkte zich tot Zuid-Europa, dat landschappelijk nog een sterke gelijkenis vertoonde met de noordelijke delen van Afrika. Vervolgens werden 350.000 jaar later ook de meer noordelijke delen van Europa binnen getrokken. Waarom men zich in deze gebieden vestigde, is onduidelijk, want Midden- en Noord-Europa zijn niet de beste plekken om te wonen.

2.3 Neandertalers

In Europa zijn er namelijk grote verschillen in het voedselaanbod per seizoen. In de winter is het moeilijker om aan voedsel te komen. De aanpassing aan dit andere landschap en milieu is cruciaal geweest voor de verdere ontwikkeling van de mens. Ongeveer 120.000-100.000 jaar geleden ontwikkelde zich een nieuw menstype: Homo sapiens neanderthalensis, beter bekend onder de naam Neandertaler. De Neandertaler was iets kleiner dan wij, maar veel gespierder en wat zwaarder gebouwd. Zijn gezicht werd gedomineerd door zware wenkbrauwbogen. Zijn schedelinhoud bedroeg 1500 cc, dus iets meer dan wij gemiddeld hebben. De vaak als een beetje domme doodlopende zijtak aan de evolutieboom van de mensheid beschouwde Neandertaler, vertoont verrassend veel overeenkomsten met de materile resten die onze directe voorouder, de Cro-Magnon, heeft achtergelaten. De Neandertaler kende een grote variatie aan werktuigen en begroef als eerste zijn doden.

2.4 Moderne mensen

Wij, moderne mensen, zijn pas rond 40.000 jaar geleden verschenen en kenmerken ons door een minder gespierd lichaam, het ontbreken van zware wenkbrauwbogen en een gemiddelde herseninhoud van 1450 cc. De culturele ontwikkeling bereikte rond 20.000 jaar geleden een van zijn hoogtepunten. Uit die periode kennen we in Frankrijk rijk versierde voorwerpen en natuurlijk de grotschilderingen met als belangrijkste voorbeelden de grotten van Lascaux en Font de Gaume in Frankrijk en Altamira in Spanje.

3. Voedselverzamelaars en jagers

Het gehele paleolithicum en mesolithicum (250.000-5500 v.Chr.) leefde de mens van wat hij in de natuur kon vinden. Door verzamelen, vissen en jagen kwam hij aan zijn voedsel en aan de onontbeerlijke grondstoffen voor het maken van werktuigen, kleding en behuizing. In deze lange periode was het klimaat aan grote schommelingen onderhevig. Koude perioden wisselden af met warme perioden. In koude perioden leefden dieren als mammoeten, wolharige neushoorns, paarden en rendieren; in de warmere perioden uitgestorven diersoorten als bosolifant, steppeneushoorn, reuzenherten nog steeds bestaande soorten als paard en edelhert. Vooral in die warme perioden werd ons land bewoond.

3.1 Belvdre

De oudste en misschien wel bekendste vondsten uit ons land zijn de vuistbijlen. Eigenlijk is het geen bijl maar een werktuig dat voor een groot aantal doeleinden gebruikt kon worden, vergelijkbaar met het Zwitserse zakmes. Deze ‘bijlen’ worden meestal los gevonden en leveren daardoor weinig informatie over de manier waarop de eerste mensen in ons land leefden. We kunnen daar wel een indruk van krijgen door het onderzoek in de Maastrichtse grindgroeve Belvdre. Hier werd een kamp onderzocht dat slechts enkele dagen door rondtrekkende mensen was gebruikt.

Op grond van de ouderdom (250.000 jaar) moeten deze mensen tot het Homo erectus-type gerekend worden. In een klimatologisch warme fase verzamelde men aan de oevers van de Maas voedsel. Ook de dode dierenin de rivier vormde een welkome aanvulling op het dieet. De vondst van een jonge steppeneushoorn met vlak daarbij een mes waarmee het dier geslacht was, is een aanwijzing dat men toen nog niet op het wild jaagde maar het als aas verzamelde. In die tijd legde men al grote afstanden af of onderhield men intensieve contacten. Op 125 km afstand, in het Neuwieder Becken, worden werktuigen uit deze periode aangetroffen die gemaakt zijn van vuursteen afkomstig uit Zuid-Limburg.

3.2 De jongste toendra’s

In de laatste fase van de oude steentijd, het laat-paleolithicum (ca. 15.000-12.000 jaar geleden), was er weer een koude periode, maar niet zo koud dat het onmogelijk was om aan de kost te komen. Door de lage temperaturen lag veel water bevroren opgeslagen in de ijskappen op de Noord- en Zuidpool en in de gebergten. Daardoor stond de zeespiegel meer dan 100 meter lager dan nu. Grote delen van de Noordzee en de Atlantische Oceaan lagen droog. Het gebied van het huidige Nederland had een continentaal klimaat en was honderden kilometers van de zee verwijderd.

In een toendralandschap jaagde men in kleine groepen op paard en rendier. De jagers trokken voortdurend rond en leefden in tenten. De kampementen hebben nauwelijks sporen achtergelaten in de bodem. Veel voorwerpen die gemaakt zijn van vergankelijke materialen, zoals been, gewei en leer, hebben de tand des tijds niet doorstaan. Meestal vinden we alleen nog maar het afval van vuursteenbewerking, een enkele haard en soms een ring met stenen, die de plaats van de tent verraad. De hoeveelheid afval, de verschillende soorten werktuigen en de ligging van het kamp in het landschap zegt soms iets over de functie ervan. Vindplaatsen met veel afval en een groot aantal verschillende werktuigen, worden genterpreteerd als basiskampen waar men langer verbleef en expedities ondernam om te jagen, te vissen of voedsel te verzamelen. Ook kleine kampen kwamen voor, die vooral voor de jacht werden gebruikt, en kampen die hoog op een heuvel lagen en door het goede uitzicht als uitkijkposten of locaties voor de observatie van wild worden beschouwd.

Ons land lag op de scheiding van twee Europese cultuurtradities. In het zuiden trokken jagers rond die tot het Franse Magdalnien worden gerekend. Het is de cultuurtraditie die we zo goed kennen van de grotschilderkunst. In het noorden opereerden jagers van de Hamburgcultuur. Ze hadden niets te makenmet de Amerikaanse McDonaldcultuur, maar zijn genoemd naar de vindplaatsen rond de Duitse stad Hamburg. Men had intensieve contacten met elkaar en op plaatsen waar veel voedsel was te vinden, kwamen grote groepen bij elkaar. Hier werden feesten gevierd en de banden met familieleden aangehaald. Tevens was er de mogelijkheid informatie uit te wisselen over goede jachtgronden, voorwerpen en grondstoffen te ruilen en konden levenspartners worden gezocht. Van de mensen zelf vinden we niet veel terug. Een enkele afbeelding gegraveerd op steen is eigenlijk het enige wat rest. Graven uit deze periode zijn onbekend in Nederland.

3.3 Nederland een bos

Ongeveer 10.000 jaar geleden begon de gemiddelde temperatuur weer te stijgen, met grote gevolgen voor het klimaat, het landschap en de jagers. Door de stijging van de temperatuur raakte Nederland steeds dichter begroeid. De op de open vlaktes levende kuddedieren trokken naar het koudere noorden en maakten plaats voor wild dat in een kleiner gebied leefde. Nieuwe dieren die in ons land verschenen, waren: oeros, edelhert, eland, ree, wild zwijn en bruine beer. De warmte had ook nadelige gevolgen. De ijskappen smolten en binnen 2000 jaar stond het gehele Noordzeebekken onder water. De zee verzwolg duizenden vierkante kilometers goede jachtgronden en de tijd dat je zo naar Engeland kon lopen was voorgoed voorbij.

Toch bood deze tijd, het mesolithicum, de mens veel voordelen. Men hoefde minder te trekken, want voedsel was er in overvloed. Er kon ook meer plantaardig voedsel, zoals vruchten, noten, knollen, wortels en bladgroenten, verzameld worden en kon men langer op n plaats wonen. Van hieruit werden expedities ondernomen voor de voedselvoorziening en grondstoffen. In een jaar trok men in een territorium rond en verbleef men steeds op die plekken, waar het voedselaanbod het grootst was. Bij voorbeeld in het voorjaar bij de rivier om zalm te vissen, in de zomer aan de kust om schelpen te verzamelen, in het najaar in het binnenland om hazelnoten te plukken en in de winter bij een meer om te vissen en de omtrek af te stropen op zoek naar wild. Van vuursteen en andere steensoorten werden kleine werktuigjes gemaakt, microlieten, die in een vatting van been, gewei of hout werden vastgezet. Ook werden er werktuigen gemaakt van been of gewei: speer- en pijlpunten, priemen, hakken en bijlen.

3.4 Feest en bezit

De verminderde mobiliteit had ook gevolgen voor het dagelijkse leven. Er kwam meer tijd voor sociale contacten, gokken en feesten. We leiden dit af uit etnografisch onderzoek. Jagers en verzamelaars die leven in een woestijnachtige omgeving – toch niet de gebieden waar we een overvloed aan voedsel verwachten – besteden slechts twee uur per dag aan het verzamelen van voedsel. De rest gaat op aan gezelligheid, feesten en gokken.

De verminderde mobiliteit leidde niet tot isolatie. Men had nog steeds over grote afstanden contacten, zichtbaar door de verspreiding van Wommersom-kwartsiet. Deze hoog gewaardeerde steensoort komt uitsluitend bij het Belgische plaatsje Wommersom voor. Het werd onderling geruild en raakte zo verspreid over een gebied dat zich uitstrekte van de Noordzee tot aan de Rijn en van de Veluwe tot even voorbij de huidige Frans/Belgische grens. Een ander aspect van de verminderde mobiliteit was dat in de tijd dat men nog veel trok, het weinig zin had om bezit te vergaren, immers, alles wat je bezat, moest je ook zelf meesjouwen. In het mesolithicum was dit minder het geval. Bezit leidde echter ook tot sociale veranderingen. Des te meer je bezit, des te groter is je macht en invloed. Deze verschillen zijn soms zichtbaar in de graven. We veronderstellen dat degene met de meeste grafgiften ook het rijkst of machtigst was in die tijd. Uit ons land kennen we wel graven uit die tijd. Het gaat daarbij om doden die in een tonvormige kuil, overstrooid met oker, zonder veel bijgiften werden begraven. Uit Scandinavi en Frankrijk kennen we grafvelden waarin de aantallen en soorten grafgiften een indicatie zijn voor sociale ongelijkheid.

4. De neolithische revolutie

Stel je voor dat we voor onze voedselvoorziening geheel afhankelijk zouden zijn van de chemische industrie. Zij maken voor ons pillen die in al onze behoeften voorzien. Iedere dag n pil en klaar zijn we. Het zou een ongekende revolutie betekenen: geen landbouw meer, geen veeteelt, geen restaurants, geen levensmiddelenwinkels en geen tijdrovend gekokkerel.

4.1 Consumenten

Een dergelijke omwenteling deed zich ongeveer 10.000 jaar geleden voor in het Nabije Oosten. Nadat de mens de gehele geschiedenis geleefd had van wat de natuur bood, ging men over op de productie van voedsel. Van louter consument werd de mens ook producent. Dit ging niet van de ene dag op de andere. Nee, het was een geleidelijk proces dat eeuwen duurde. In het Nabije Oosten komen de wilde voorouders van onze voedselgewassen voor. Deze gewassen maakten een klein bestanddeel uit van het voedselpakket van de locale jagers en verzamelaars. Door extra zorg, zoals het wegjagen van dieren en het wieden van onkruid, werd het aandeel in het voedselpakket vergroot. De definitieve stap naar voedselproductie was het zaaien van gewassen. De bekendste gewassen zijn de tarwesoorten emmer, eenkoorn, gerst en peulvruchten alserwtenen linzen. Eenzelfde proces vond plaats met dieren. Het zijn vooral de in kudden levende dieren die een gedrag hebben dat het mogelijk maakte om ze te temmen. Door steeds de rustigste dieren te selecteren die het meeste vlees leverden of de grootste melkopbrengst hadden, ontstonden uiteindelijk de huisdierrassen die we nu kennen: rund, varken, schaap en geit.

Deze agrarische levenswijze breidde zich uit over het Nabije Oosten en vervolgens over de Balkan. Hier stagneerde het door aanpassingsproblemen aan de Europese situatie. Nadat deze overwonnen waren, verspreidde de agrarische economie zich in snel tempo over de rest van Europa.

5. Boeren in de steentijd

7300 jaar geleden trokken de eerste boeren onze streken binnen. Zij brachten voor de locale bevolking vreemde, onbekende dingen mee. Een van de meest in het oog springende was het aardewerk. Het had bandvormige motieven waardoor wij het nu bandkeramisch aardewerk noemen. Deze boeren vestigden zich op de vruchtbare lssgronden in Zuid-Limburg, woonden in kleine gehuchten bestaande uit enkele huizen en ontgonnen kleine stukken bos voor de aanleg van akkers. De akkers werden met hakken bewerkt en men verbouwde graansoorten als eenkoorn, emmer en gerst, erwten, linzen, lijnzaad en maanzaad. Op de weiden en braakliggende akkers graasden koeien, geiten en schapen en in het bos hoedde men varkens.

5.1 Langzame overgang

Hoewel wij denken dat een agrarische economie toch veel voordelen heeft, was de locale bevolking, de jagers en verzamelaars, hier allerminst van overtuigd en sloeg deze levenswijze niet erg aan. Pas 1000 jaar na de introductie van voedselgewassen en vee, maakten ook de jagers de overstap naar een boereneconomie, met uitzondering van het westen. In West-Nederland waren de omstandigheden te nat voor landbouw en was er een overvloed aan vis en wild. Hier bleef men nog lang jagen en vissen, waarbij geleidelijk aan meer agrarische producten in het voedselpakket werden opgenomen. Men trok door dit gebied rond en leefde in kortstondig gebruikte nederzettingen op droge plekken als kreekruggen, oeverwallen, duinen langs de kust en rivierduinen. De natte omstandigheden zijn ook gunstig voor archeologen. Veel werktuigen gemaakt van leer, hout, been en gewei, die op de droge zandgronden meestal vergaan, zijn hier bewaard gebleven.

De nieuwe economie stelde andere eisen aan de vuurstenen werktuigen. De vraag naar een goede kwaliteit vuursteen groeide. In Zuid-Limburg, waar vuursteen in de mergel voorkomt, werden diepe mijnschachten aangelegd om de beste kwaliteit vuursteen te winnen. Eenmaal boven de grond, werden de knollen bewerkt tot halffabrikaten: lange spanen vuursteen en ruw behakte bijlen. Op de plaats van gebruik werden ze uiteindelijk afgewerkt.

5.2 Trekdieren

Ongeveer 4600 jaar geleden vond een belangrijke technologische vernieuwing plaats. Dieren, vooral ossen, ging men gebruiken voor de trekkracht, zodat ook met een primitieve ploeg, het eergetouw, de akkers bewerkt konden worden. De ossen trokken ook eenvoudige karren, waarvoor soms speciale wegen voor door het veen werden aangelegd.

5.3 Sociale verschillen

De variatie in de ter aarde bestelling van de doden was zeer groot. Men kende crematie, inhumatie en het blootstellen van de dode aan de elementen, excarnatie. De doden werden bijgezet in een vlakgraf, in een collectief graf, bijvoorbeeld een hunebed, of men kon worden begraven onder een grafheuvel. Nu werden de sociale verschillen in het neolithicum groter. Dit is het beste zichtbaar in de graven. De eerste aanwijzing voor sociale verschillen is dat niet iedereen begraven werd. Degenen die wel in een graf terecht kwamen, hadden al een belangrijker positie in de samenleving. De bijgiften van die personen verschilden ook sterk. Volgens het principe van wie het meest bezit, zal ook de meeste macht hebben, herkennen archeologen personen met een hogere positie. Deze personen kregen veel grafgiften, die ook nog bijzonder waren. Vaak gaat het om zeldzame en exotische voorwerpen zoals vuurstenen dolken uit Frankrijk, barnsteen uit de Oostzee, koperen kralen uit Midden-Europa en koperen dolken.

De koperen dolken en kralen waren een aanwijzing dat er veranderingen op til waren. Een door steen gedomineerde tijd liep ten einde. Het gebruik en het bewerken van metalen luidde een nieuwe periode in.

6. Smeden en vorsten

6.1 Brons

De introductie van metalen gereedschappen was een belangrijke technologische vernieuwing met grote economische en sociale gevolgen. Het eerste metaal dat in ons land gebruikt werd, was brons. Daarom spreken we van bronstijd. De grondstoffen voor brons, koper en tin, komen echter niet in ons land voor; dus werd brons gemporteerd. We waren sterk afhankelijk van het ‘buitenland’. Brons was, zeker in de vroege bronstijd, een zeldzaam en kostbaar materiaal. Het werd aangevoerd in de vorm van wapens, gebruiksvoorwerpen en sieraden. In de midden-bronstijd nam de invoer toe. Het hergebruik van oud brons maakte het mogelijk dat zich lokale bronsindustrien ontwikkelden die vooral gebruiksvoorwerpen als bijlen produceerden.

6.2 IJzer

De afhankelijkheid van het buitenland veranderde door een nieuwe ontdekking: ijzer! Hoewel men niet op een dag besloot alle brons door ijzer te vervangen, spreken we vanaf 700 v.Chr. van ijzertijd. Brons bleef nog lang in gebruik en ijzer was zelfs al ver voor 700 v. Chr. bekend. Op het planken voetpad bij Bargeroosterveld in Drenthe is een klein ijzeren pennetje gevonden met een ouderdom van 4500 jaar. Het is het bewijs dat al in de midden-bronstijd ijzer werd gewonnen en verwerkt. Een van de grote voordelen van ijzer was dat de grondstof in ons land voorkomt. In onze grote moerassen wordt continue ijzeroer gevormd. Tot ver in de twintigste eeuw werd dit als grondstof voor de ijzerindustrie gebruikt. Het ijzer werd in de ijzertijd op lokaal niveau verwerkt. In vrijwel iedere nederzetting vinden we de afval van het gietproces terug en in een enkel geval ook voorwerpen als onderdelen van blaasbalgen en mislukte werktuigen.

6.3 Boeren en nog eens boeren

We moeten ons niet laten misleiden door al dat brons en ijzer en de daarbij horende technologische vernieuwingen. Wij bleven een land van boeren en het ging goed met die boeren. De boerderijen werden groter en de woon- en akkergebieden breidden zich uit. De boerderijen werden groter omdat het vee in de winter op stal werd gezet. Voorheen liet men het buiten rondlopen. Soms boerde men te intensief en raakte de bodem uitgeput. Heidevelden en zandverstuivingen, de eerste milieuproblemen, waren het gevolg. In de ijzertijd werd een nieuw landbouwsysteem ingevoerd. In de droge delen van Nederland werden raatvormige akkers, de celtic fields, aangelegd. Dit waren rechthoekige akkertjes omgeven door walletjes waarop struiken en bomen groeiden, die als windschermen dienden. Om uitputting te voorkomen liet men delen steeds braak liggen en werd op de akkers mest gestrooid afkomstig uit de stallen. De vraag naar meer landbouwgrond noopte boeren om in de bronstijd ook voormalige natte gebieden als West-Friesland binnen te trekken en hier met een aangepaste bedrijfsvoering een boterham te verdienen. Het accent in West-Friesland kwam op veeteelt te liggen.

Dit zelfde zien we in de ijzertijd gebeuren. Toen waren het de kwelders in Noord-Nederland en het veengebied in het westen die werden gekoloniseerd. De bedrijfsvoering werd hier ook weer aangepast aan de plaatselijke omstandigheden. In het noorden, bij voorbeeld, werden terpen aangelegd om overstromingen het hoofd te kunnen bieden. Men richtte zich vooral op veeteelt, zuivelproductie en nijverheid.

6.4 Nederzettingen

De ijzertijd laat een ongekende schaalvergroting zien, niet alleen in de landbouw, maar ook in nederzettingen, in contacten met andere regio’s en in sociale organisatie. De kleine gehuchten uit de bronstijd ontwikkelden zich tot echte dorpen. Zelden zien we echter continuteit van bewoning op n plaats. De kern van nederzetting verplaatste zich door de tijd. Aan het eind van ijzertijd werden de dorpen omgreppeld. Het is onduidelijk of dit te maken had met de verdediging van het dorp of dat het omheiningen waren die moesten voorkomen dat het vee wegliep. Ook treffen we in deze tijd omheinde terreinen aan zonder duidelijke woonfunctie. Het idee is dat dit stapelplaatsen waren die werden gebruikt voor de opslag van handelsgoederen.

6.5 Internationaal

In de brons- en ijzertijd was een toename van de internationale contacten zichtbaar. Dat had vooral betrekking op de import van sieraden en andere luxe producten, maar er is ook sprake van handel. In de bronstijd waren het vooral wapens en gereedschappen die gemporteerd werden, maar ook gouden armbanden, barnstenen kralen en bronzen sieraden. Al deze producten wijzen op contacten met grote delen van Europa, Ierland en Engeland. In de ijzertijd trad zelfs een intensivering op en kwam er ook een handel op gang in gebruiksgoederen. De beste voorbeelden zijn de productie van glas in het rivierengebied bij Nijmegen, de productie van zout langs onze kust en de export daarvan naar Oost-Nederland en Duitsland, de import van maalstenen gemaakt van tefriet uit een groeve bij het Duitse Mayen en de introductie van geld als betaalmiddel. Contacten met Midden- en Zuid-Europa kunnen afgeleid worden uit de vondsten van bronzen emmers, een zilveren vaas uit Neerharen en een zilveren sierschijf uit Helden. Al deze economische veranderingen hadden hun invloed op de maatschappij. Het is natuurlijk eigenlijk de vraag van de kip en het ei, want het kan ook zijn dat de economische vernieuwingen werden ingegeven door sociale veranderingen.

6.6 Van heuvelgraf naar urnenveld

In de bronstijd bleef het begraven van de doden onder een grafheuvel lange tijd populair. Soms werd in n grafheuvel, na het begraven van een dode in het centrum van de heuvel, nog vele malen andere familieleden bijgezet in de rand van de heuvel. Ook in deze tijd kwam niet iedereen in een graf terecht. Regelmatig worden menselijke skeletresten in de afvalhopen rond de nederzetting aangetroffen. In de late bronstijd veranderde de wijze van begraven snel en radicaal. De doden werden niet meer begraven maar verbrand en de crematieresten werden, in een urn verpakt, bijgezet in een urnenveld. De reden van deze omslag is onduidelijk. Deze traditie duurt voort tot in de late ijzertijd. Toen trad er weer een grote variatie in het dodenbestel op.

Niet iedereen werd op dezelfde wijze in een urnenveld bijgezet. Er zijn enkele opvallende graven die afwijken van het algemene patroon. Ze zijn groter van omvang en er worden zeer waardevolle grafgiften in aangetroffen. De rijkdom en het exotische karakter van deze voorwerpen suggereert dat we hier met vorsten te maken hebben.

6.7 Bazen en opperbazen

De sociale ongelijkheid tussen mensen werd in de bronstijd steeds groter. Dorpshoofden of locale leiders oefenden macht uit over ondergeschikten. Een van hun machtsmiddelen was het monopolie over de handel in bronzen voorwerpen. Om te voorkomen dat teveel bronzen voorwerpen in omloop kwamen, werd een deel doelbewust vernietigd door ze in venen, plassen of rivieren te werpen. Het mes sneed daarbij aan twee kanten. De invoer was zo onder controle en hij kon aan iedereen zijn macht tonen. Zijn prestige nam toe en zijn ondergeschikten bleven afhankelijk. Veel van die depots zijn gelukkig bewaard gebleven. Macht zal ongetwijfeld ook tot machtsstrijd geleid hebben. Een indicatie zijn de talrijke wapens uit de brons- en ijzertijddepots. Het beeld van vreedzaam levende boeren is wat overtrokken. De bronstijd moet een behoorlijk gewelddadige periode zijn geweest. Dit werd op pijnlijke wijze duidelijk door de vondst van een massagraf bij Wassenaar. Hier bleken slachtoffers van een overval in de vroege bronstijd te zijn begraven.

6.8 Vorsten

In de midden-ijzertijd vinden we de rijkste graven. Het gaat om ‘vorstengraven’ waarin behalve de gecremeerde beenderen ook bronzen emmers uit Midden- en Zuid-Europa, resten van vierwielige wagens en in een enkel geval een met goud ingelegd zwaard zijn meegegeven. Enigszins vergelijkbare graven zijn uit andere delen van Europa bekend en worden algemeen geassocieerd met een toplaag in de maatschappij, een elite, waar het label vorst aan gehangen wordt. Niet alleen de grafgiften van de dode zijn een indicatie voor de hoge positie van de dode, ook onderzoek van de beenderresten uit het vorstengraf van Oss, wijst in deze richting. Hier bleek een 40-60 jarige man begraven te zijn bij wie opvallende vergroeiingen aan het bot te zien zijn. Dergelijke vergroeiingen zijn bekend van personen met een hoge sociale status. Samenhangend met grotere sociale verschillen, ging ook de religie een belangrijker rol spelen. In Bargeroosterveld werd in de vroege bronstijd in het veen een klein houten tempeltje opgericht.

6.9 Macabere offers

In venen, waterpoelen en rivieren werden veel waardevolle voorwerpen weggeworpen. Deze offers hadden deels een sociaal-economische achtergrond, maar een ander deel stond in relatie met de religie. Tot de meest macabere offers behoren de resten van talloze mensen die in het veen zijn gevonden. Het gaat hier om personen die zijn verongelukt, maar een ander deel is ongetwijfeld hier terechtgesteld. Onduidelijk is of deze mensen misdadigers waren of offers aan de goden. We kennen uit de ijzertijd meer religieuze uitingen. Er zijn, vooral in het zuiden, cultusplaatsen waaronder die van Empel, bij Den Bosch, eruit springt. Hier lag een Keltische cultusplaats, die na de Romeinse overheersing zijn functie behield en getransformeerd werd tot een Romeins heiligdom.

7. Epiloog

Met de Romeinen zijn we aan het eind van dit verhaal gekomen. De komst van deze agressors maakte een einde aan de prehistorie. Zij maakten tevens met geweld een einde aan een uitermate interessant proces van een samenleving die op weg was zich om te vormen van een egalitaire jagers en verzamelaarsgemeenschap tot een staat met een eenvoudige markteconomie. Een staat geleid door een elite en met een rijk sociaal- en cultureel leven. Van nu af aan zou er over onze gebieden en zijn bewoners geschreven worden. In de ogen van anderen werden wij, geheel ten onrechte, barbaren!

Nederland in de Prehistorie | Relevante voorwerpen

Alle topstukken

Bezoek ons: