Klik nogmaals op de knop om de filters te resetten Sluiten

Een vorstengraf uit Oss

In 1933 werd in Oss een stuk heide ontgonnen voor de aanleg van een woonwagenkamp. In een lage heuvel troffen arbeiders een in elkaar gedeukte bronzen urn aan. Gelukkig was de gemeentearchivaris, de heer Cunen, snel ter plekke en kon de ontginning tijdelijk gestopt worden. Zo kon de toenmalige conservator van het Rijksmuseum van Oudheden, de heer Bursch, een kort onderzoek kon instellen. De bronzen urn werd geborgen en overgebracht naar Leiden. Daar werd de urn op de voor die tijd beste wijze gerestaureerd. Tijdens de restauratie bleek dat er niet alleen gecremeerde resten van een dode in de urn zaten, maar ook een krom gebogen zwaard,hout, resten van kleding en allerlei roestklompen. In de roestklompen konden metalen ringen, messen, paardenbitten en een slijpsteen herkend worden. Vooral het zwaard trok de aandacht omdat het ingelegd was met goud.

Een dergelijke rijke vondst is een zeldzaamheid in ons land. De bronzen urn (een situla), het met goud ingelegde zwaard en de paardenbitten wijzen op een hoge positie van de dode. Vaak wordt in dit verband gesproken van een vorst, een regionale leider uit de vroege ijzertijd. We kennen meer graven van belangrijke personen waarin met de doden een situla, paardebitten, zwaarden of dolken werden meegegeven, maar de rijkdom en het exotisch karakter van de bijgiften uit Oss zijn opmerkelijk. De situla, bijvoorbeeld, moet gemaakt zijn in het westelijke Alpengebied en wijst op de steeds intensiever wordende contacten met het centrale deel van Europa.

Recentelijk is het gehele vondstcomplex gerestaureerd en opnieuw bestudeerd, waarbij verrassende nieuwe gegevens aan het licht kwamen. Onder het met roest overdekte zwaard met houten greep, kwam op het lemmet nog een fraaie gravering te voorschijn en bleek ook nog een deel van de goudversiering te zitten. Op het zwaard zaten resten van textiel, waaruit afgeleid kan worden dat het zwaard in stof gewikkeld moet zijn geweest en na de crematie met de verbrande botten in de situla gestopt moet zijn. Bij het schoonmaken van de klompen roest kwamen onder andere nog twee messen, twee kledingspelden, twee paardenbitten, een belletje en paardenbeslag tevoorschijn.

De allure van het zwaard verbleekt enigszins als we kijken naar de situla. De grote, 50 cm hoge situla had geen hengsels zoals we die kennen van exemplaren uit Baarlo in Limburg en Ede in Gelderland. De hengsels van het exemplaar uit Oss waren in het verleden al eens afgebroken en weer hersteld. De reparatie had evenwel geen succes want kort daarna moet het geheel weer zijn afgebroken. Er restte nog n oplossing, die minder fraai was, maar wel praktisch. Op de rand zijn verdikkingen zichtbaar. Dit zijn oudtijds opgezette stukken bronsblik waaronder nog restanten van leerbewaard zijn gebleven. Dit betekent dat de emmer een leren band als hengsel had. Blijkbaar betekende alleen het bezit van een emmer al zo veel dat de manier waarop hij gedragen moest worden er weinig toe deed.

Ook de botresten van de gecremeerde dode zijn opnieuw bestudeerd. Ze blijken afkomstig te zijn van een 40 tot 60 jarige man. Op de botten waren nog aanwijzingen te ontdekken die iets kunnen vertellen over de positie van de persoon in de maatschappij. De grootte van het grafmonument en de bijgaven waren al een indicatie dat het om een uitzonderlijk figuur ging, mogelijk een vorst. Op de rugwervels zijn vergroeiingen zichtbaar die het gevolg zijn van een verbening van de wervelkolom. Hoe die ontstaat is onbekend, maar wordt in de pre- en protohistorie wel vaker aangetroffen. Opvallend is dat verbening alleen voorkomt bij personen die een hoge sociale status in de maatschappij hadden. Identieke vergroeiingen zijn bijvoorbeeld bekend van een bisschop die was begraven in de St. Servaaskerk in Maastricht. Al deze gegevens wijzen op een hoge status van de man uit Oss. Een verklaring dat hier om een vorst gaat is dus niet onwaarschijnlijk.

Nederland in de Prehistorie | Relevante voorwerpen

Alle topstukken

Bezoek ons: