Klik nogmaals op de knop om de filters te resetten Sluiten

Een neolithische smid in Lunteren

Het eind van het neolithicum moet een opwindende tijd zijn geweest. Er traden vele economische- en sociale veranderingen op. Een van de meest in het oog lopende was de introductie van metaal. Miljoenen jaren had de mens al zijn werktuig en van vuursteen gemaakt, of vuursteen gebruikt om werktuigen van been, gewei en hout te vervaardigen. In Oost-Europa werd ongeveer 6500 jaar geleden ontdekt dat zuiver koper door middel van koud hameren in een bepaalde vorm kon worden gebracht. Incidenteel kwamen in het midden-neolithicum kleine koperen voorwerpen, twee spiraalkralen en enkele stukjes koperblik naar onze streken toe. Enkele stuks zijn gevonden in de hunebedden.

Geleidelijk deed in het laat-neolithicum koper zijn intrede in Nederland. We moeten ons daar niet te veel van voor stellen. Uit de honderden klokbekergraven komen welgeteld elf koperen tongdolkjes, twee koperen priemen en n armband van koperdraad. Wat wel opvalt is dat in tegenstelling tot de voorafgaande periode deze voorwerpen niet alleen als kant en klare eindproduct en werden ingevoerd, maar dat een deel hier ter plaatse bewerkt moet zijn.

Al in het laat-neolithicum waren er smeden in ons land actief. Uit twee graven, in Soesterberg en Lunteren, komen hun gereedschappen: aambeeldstenen en hamerstenen. In het graf van Lunteren werden zelfs nog een koperen dolk en priem gevonden. Met de hamer en het aambeeld werd koper in de vorm geklopt. Tijdens het hameren werd het voorwerp licht verhit om te voorkomen dat het koper bros werd en er barsten in het voorwerp zouden ontstaan. Nadat het dolkje gereed was werd om de tong – vandaar de naam tongdolkje – meestal een organisch materiaal aangebracht, zoals been, hoorn of leer, om een betere grip te krijgen. In een enkel geval werd de greep met een klinknageltje vastgezet.

De chemische samenstelling van het koper waar de dolken van gemaakt zijn, wijst uit dat het verontreinigd was met arseen en nikkel. Dit komt niet van nature voor in koper. Het is doelbewust toegevoegd zodat een legering ontstond die harder was dan het natuurlijke, zuivere koper. De hardheid is bijna even groot als die van brons. De herkomst van het koper moet in Centraal-Europa gezocht worden. Via langeafstandhandel is het in ons land terecht gekomen.

Niet alleen koper werd in deze tijd gebruikt. Een ander metaal was goud. Hier werden alleen sieraden van gemaakt. Het zijn zeer zeldzame objecten waarvan er maar vijf in Nederland gevonden zijn. In alle gevallen komen ze uit graven: een halssieraad uit Bennekom, twee goudhulsjes uit Exloo en twee oorhangers uit Beers. De zeldzaamheid van deze voorwerpen en de relatieve rijkdom van de graven waarin ze gevonden worden, wijzen nog eens op het feit dat alleen personen met een hogere status in de toenmalige samenleving zich zulke kostbaarheden konden veroorloven. We moeten er wel rekening mee houden dat de zeldzaamheid ook veroorzaakt kan zijn door hergebruik. Metaal is immers in tegenstelling tot steen te recyclen. Een groot voordeel voor de mensen die het gebruikten, want steeds konden werktuigen weer ‘als nieuw’ gemaakt worden. Een groot nadeel voor archeologen: die vinden er nauwelijks iets van terug.

Nederland in de Prehistorie | Relevante voorwerpen

Alle topstukken

Bezoek ons: