Door opgravingsleider Lucas Petit

Week 5 (25 oktober-1 november 2019)

De beroemde laatste week. Overal in de wereld worden de mooiste vondsten in de laatste week, of zelfs op de laatste dag gevonden. Ook bij ons, maar daarover later meer. Het beloofde sowieso een leuke week te worden, omdat we de twee kamertjes met het aardewerk zouden gaan lichten. Maar we hadden eerst hoog bezoek: afgelopen zondag bezochten RMO-directeur Wim Weijland en MT-lid Guus Waals namelijk onze opgraving, uiteraard met toestemming van het leger. Ze waren aangenaam verrast door de opgraving en de plek, die – zoals ik al eerder heb gezegd – heel bijzonder is. Na een bezoekje aan een andere opgraving in de namiddag, heb ik ze terug naar de hoofdstad gebracht. In de avond arriveerden namelijk twee nieuwe deelnemers op het vliegveld iets ten zuiden van Amman: Erwin en Martijn Kanters. Deze twee broers zijn van het bedrijf 3D Scanning Solutions en zijn specialisten, zoals de naam al zegt, in 3D-scannen. Niet alleen van voorwerpen, maar ook van opgravingssituaties en architectuur. Vorig jaar waren ze ook een weekje aanwezig om de bijzondere vondsten, zoals de kleibeeldjes, te scannen. Wij zijn erg blij dat ze opnieuw konden komen, met name om de twee kamers met het aardewerk te scannen.

3D-scans

Normaal gesproken zouden we namelijk uren bezig zijn met tekenen. Elk scherfje, steentje en ander voorwerp moet nauwkeurig op millimeterpapier worden vastgelegd en dat kost heel veel tijd. Met een 3D-scan is het nauwkeuriger én sneller. Maandag bleven Erwin en Martijn nog in het opgravingshuis en werkten ze aan de scans van een aantal voorwerpen. Op dinsdag en woensdagochtend kwamen ze naar de opgraving en konden anderhalve kamer scannen. Helaas zorgde de wind (en dus stof) voor aanzienlijke problemen. Maar uiteindelijk zijn we zeer tevreden over het resultaat. Je kan nu door de kamers lopen en links en rechts het aardewerk zien liggen, digitaal wel te verstaan.

Werd Damiyah aangevallen?

Zoals gezegd begonnen we op zondag met het opgraven van de voorraadpotten. Ze waren allemaal gebroken natuurlijk en de scherven lagen her en der verspreid over de vloer en in het dakpuin. Naarmate we meer en meer potten blootlegden, viel het ons op dat in bijna iedere kruik een middelgrootte steen lag. Op het eerste gezicht niets bijzonders. Er lagen wel meer stenen tussen het puin. Maar hoe groot is de kans dat stenen, die mogelijk op het dak lagen, precies op iedere kruik zijn gevallen? De stenen waren niet plat en konden onmogelijk als deksel gediend hebben. Een goede, en zeer bijzondere, verklaring was dat de opslagvaten bewust kapot waren gegooid. We zijn al langer op zoek naar de oorzaak van de grote brand. Een natuurlijke oorzaak, zoals een aardbeving, lag tot nu toe, in elk geval voor mij, erg voor de hand. De nieuwe resultaten echter wijzen erop dat Tell Damiyah werd aangevallen en daarna compleet was verwoest. We zullen zeer nauwkeurig onderzoeken of deze verklaring past bij de gegevens die we in de afgelopen negen seizoenen hebben verzameld. In elk geval laat het zien dat ook natuurlijke rivierkeien van groot belang kunnen zijn voor je verhaal. Iedere steen die we op Tell Damiyah aantreffen heeft een functie gehad, want ze rollen niet uit zichzelf omhoog. We onderzoeken dus alle stenen op gebruikssporen. In dit geval zijn echter niet de gebruikssporen belangrijk, maar de context van de vondst. Het laat zien dat documentatie enorm belangrijk is tijdens een opgraving. Het verhaal van Tell Damiyah zou anders zijn, als we het patroon van de stenen niet hadden herkend.

Karavanserai

Op dinsdag zijn we begonnen met het lichten van het aardewerk in de meest zuidelijke kamer. Een dag erna was de noordelijke kamer aan de beurt. Emmers vol met scherven gingen die twee dagen naar het opgravingshuis, waar we extra personeel hadden ingehuurd om ze te wassen. We willen in de komende dagen nog een aantal potten restaureren, om zo informatie te verkrijgen over o.a. de morfologie van het gebruikte aardewerk. Zoals gemeld was bijna iedere pot gevuld met verbrande zaadjes en graan. Uiteraard hebben we veel monsters genomen om een goed idee te krijgen over de inhoud van elke pot. Het is moeilijk in te schatten, maar de opslagruimtes waren goed gevuld. De voorraad lijkt veel te groot te zijn voor de paar inwoners van Tell Damiyah. In elk geval ondersteund deze opslagruimte ons idee van een heiligdom met herberg alwaar handelaars konden overnachten. Het lijkt dus sterk op een soort karavanserai.

Een beschilderde topvondst

Terug naar de opgraving. In de noordelijke opgravingsputten zijn we gestopt met werken. Ondanks dat we intussen in IJzertijd-lagen waren aangekomen, konden we de gegevens moeilijk koppelen aan het verbrande complex in de zuidoostelijke hoek van de vindplaats. Omdat er aldaar nog veel werk lag, werkten nu alle teams (square-supervisor, voorgraver en een arbeider) in de zuidoostelijke opgravingsputten. Zo konden we ons hoofddoel afmaken: overal de vloer bereiken van het verbrande complex uit 700 v.Chr. In de grote ruimte ten westen van de twee opslagkamers kwam hier op de laatste dag, afgelopen donderdag, nog iets heel bijzonders tevoorschijn: een kleibeeldje van een vrouwelijk figuur. Helaas was het fragmentarisch, maar het voorwerp heeft heel veel detail en nog resten van beschildering. Naast het kleibeeldje, lagen nog een aantal hangers van schelpen en wat gebroken aardewerk. Twee uur later was de hele opgravingsput weer met aarde opgevuld. En drie uur later zaten we vermoeid maar blij in het opgravingshuis. Het was een prachtig seizoen met hele mooie resultaten. Er ligt nu nog veel werk te wachten tot we volgende week het vliegtuig terug nemen naar Nederland. Alles moet nog worden gedocumenteerd, eventueel geplakt en netjes worden ingepakt voor het Jordaanse Departement van Oudheden. Maar na zeven weken verlangen we toch ook wel naar pindakaas, een regenbuitje en een lekkere stoel….

Namens het hele team, bedankt voor het lezen.

Week 4 (18-25 oktober 2019)

Door de vondsten van deze week moet ik het in dit weekbericht vooral over aardewerk hebben. Deze materiaalsoort is in groten getale aanwezig op vindplaatsen die dateren na de PPN – de zogenaamde Pre-Pottery Neolithic periode. Na (of zoals intussen bekend, net in) deze periode beginnen de bewoners van het Nabije Oosten aardewerk te maken, zeg maar rond zevenduizend jaar geleden. Aardewerk is vanaf dat moment niet alleen belangrijk voor het dagelijks gebruik, maar geeft de archeoloog ook een buitengewoon handig dateringsmiddel. Het meeste aardewerk blijft duizenden jaren bewaard en ondergaat heel veel veranderingen, zowel technisch als morfologisch. Aardewerk uit 2500 v.Chr. is duidelijk te onderscheiden van scherven uit de late IJzertijd. En zelfs aardewerk uit de 9de eeuw verschilt van dat uit de 7de eeuw v.Chr.

Aardewerk lezen

Een groot deel van ons werk in het opgravingshuis draait rondom aardewerk. Alle scherven worden meegenomen naar het huis. Hier worden ze gewassen en bestudeerd. In eerste instantie doen we dat in groepsverband: het zogenaamde aardewerk lezen. Het aardewerk van iedere opgravingsput leggen we op een grote tafel uit, waarna we het met z´n allen sorteren en bestuderen. Belangrijk hierbij is het geven van een datering. Zitten er bijvoorbeeld scherfjes uit jongere periodes tussen, die kunnen wijzen op een verstoring? Of, hoe oud is de laag waarin we nu werken? Maar ook kijken we naar de functie van het gevonden materiaal. Zijn er bijvoorbeeld heel veel kookpotten of opslagvaten? Dat soort onderzoek kan helpen bij het bepalen van de functie van een ruimte. Daarna worden de scherven genummerd, gefotografeerd en getekend. Alle informatie, inclusief tekeningen en foto’s, komen uiteindelijk in een enorme database: het hart van de opgraving.

Kruiken op het dak

Zoals vorige week beschreven, zaten we aan het begin van deze week net boven het vloeroppervlak van het grote verbrande complex uit de 7de eeuw v.Chr. Ten minste, dat dachten we. In de meest oostelijke put waren honderden scherven zichtbaar en door de vondst van verbrande graankorrels associeerden wij deze kamers met opslag. Na de eerste dag van de week, de zondag, bleek al dat de vloer nog wat dieper lag en dat sommige kruiken op het dak stonden. Er waren duidelijk twee lagen zichtbaar: aardewerk dat zich op het ingestorte plafond bevond, en materiaal dat eronder lag (waarschijnlijk dus de vloer). Tot aan het eind van de week hebben we nodig gehad om de vondsten die op het dak stonden op te graven. Het gaat zeer langzaam omdat we elk scherfje in eerste instantie laten liggen. De situatie die we aantreffen, moet op foto en tekening gedocumenteerd worden. Je mag dus niet zomaar iets weghalen. Een enorme kruik zonder duidelijke inhoudsresten en een klein potje hebben we intussen naar het opgravingshuis gebracht. Ze worden dit weekend schoongemaakt en indien nodig gerestaureerd. Omdat we nog één week hebben, moeten we gezien de hoeveelheid kruiken en andere potten die er nog liggen volgende week flink aan de bak.

Ongebruikelijke inhoud

In de opgravingsput naast de opslagkamers, hebben we wel de vloer bereikt. Er stonden verschillende aardewerken potjes langs de zijkant, met een ongebruikelijk grote variëteit. In de meest westelijke hoek stond een grote pot met op de bodem een olielampje, in het noorden lag een trechter (een uitzonderlijke vondst) en in het oosten vonden we een klein bakje en een fles. Dit laatste object had nog een verrassing in petto. In het opgravingshuis bleek de fles helemaal gevuld te zijn met verbrande zaadjes. Het is nog niet duidelijk wat het precies was, maar het feit dat een fles hiervoor werd gebruikt, is zeer ongewoon. In het algemeen worden dit soort containers met vloeistoffen in verbinding gebracht, vooral omdat het een handige vorm heeft en een kleine opening. We zullen terug moeten naar de literatuur om te kijken of er hier parallellen voor zijn.

Perzisch-Hellenistische putten

In de noordelijke twee opgravingsputten hebben we intussen de meeste graven gedocumenteerd en weggehaald. Toch zijn we hier niet meteen op de lagen gestoten uit de IJzertijd. Het blijkt dat dit gedeelte van de vindplaats, net als elders op Tell Damiyah, nog een tussenfase kende: opslagputten uit de Perzisch-Hellenistische periode, zeg maar tussen 550 en 300 v.Chr. Zonder aanwijzingen van vaste structuren zijn deze putten nog steeds raadselachtig. Ik heb het hier eerder over gehad. Waarschijnlijk werden ze gebruikt voor de opslag van diervoer, mogelijk tijdens warme en droge periodes. Voor ons zijn ze niet alleen raadselachtig, maar ook jammer, omdat ze juist door de bewoningslagen heen zijn gegraven die wij willen onderzoeken. Op een paar plekken, tussen de putten door, hebben we de resten van muurtjes en een stenen vloertje gevonden. Deze dateren zeker uit de Late IJzertijd, maar of ze bij het heiligdom horen is nog onzeker. Niets wijst op een verwoesting en ze lijken dus jonger te zijn. Ook het aardewerk uit deze lagen, het hoofdthema van deze week, lijkt dat te bevestigen.

Volgende week is alweer de laatste week van de opgraving. Het wordt nog zeer hectisch maar daarom niet minder spannend. Het blijft fantastisch om hier in Jordanië onderzoek te doen.

Week 3 (11-18 oktober 2019)

Voor sommige archeologen zijn voorwerpen, de zogenaamde goodies, de ultieme kick tijdens het opgraven. Anderen worden blij als ze de context met bijvoorbeeld muurtjes, putten en erflaagjes begrijpen. In ons team zijn beide groepen vertegenwoordigd, wat het project zeer ten goede komt. De voorwerp-archeologen weten veel over de maakwijze en het gebruik van een artefact, de context-archeologen schetsen de omgeving waarbinnen dat betreffende voorwerp een rol heeft gespeeld. Het is niet zo dat er verschillende opleidingen zijn, het is meer een karaktertrek. Ik hoor zelf zeker bij de tweede groep, alhoewel ik als conservator van de Nabije Oosten-afdeling natuurlijk enorm kan genieten van materiële cultuur.

What are you going to find tomorrow?

Het is intussen traditie geworden om tijdens het diner de teamleden te vragen welk object ze de volgende dag gaan vinden. Hoe gekker en bijzonderder, hoe beter. Een skelet van een ingegraven paard omringd door mensenoffers, een met ivoor ingelegd mes, of een gastenboek uit de 7de eeuw v.Chr. Misschien moeten we dat eens uitbreiden naar unieke contexten, in elk geval voor de context-archeologen. Maar voorwerpen hebben nou eenmaal aantrekkingskracht voor veel mensen. “Hebben jullie wat bijzonders gevonden?”, is de eerste vraag als je terugkomt van veldwerk. Je kan dan honderd keer zeggen dat het verhaal belangrijker is, mensen willen zichtbare en tastbare dingen zien. Maar een opgraving is niet succesvol als er unieke objecten zijn gevonden, maar als het verleden een stukje dichterbij is gekomen. Wij, mensen, hebben voorwerpen uit het verleden een hoofdrol gegeven, zonder te overdenken of ze die rol ook daadwerkelijk hadden. Kunnen wij onze samenleving reconstrueren aan de hand van alleen de voorwerpen die we gebruiken (zonder teksten dan)?

Kruikje van albast en ijzeren sikkel

In het opgravingshuis stapelen zich intussen de dozen met vondsten op. Onze camp-manager, Mariette, is de hele dag bezig om de binnengebrachte spullen schoon te maken, te beschrijven, op te meten en te fotograferen. Alles wordt gedocumenteerd en nog dezelfde dag in de database opgenomen. Uit de talrijke graven die we hebben onderzocht, komen vooral sieraden. Van mini-kraaltjes tot armbanden van ijzer of glas. Ook prachtige hangers gemaakt van schelpen of steen werden aan de overledenen meegegeven. We hebben intussen in alle opgravingsputten de IJzertijd-lagen bereikt en dit zien we ook terug in het soort vondsten. Weefgewichten gemaakt van klei, een spatula van bot en een kruikje van albast. Gisteren vond Sanaa een ijzeren sikkel in een erflaag in een van de noordelijke opgravingsputten. Ondanks dat ik me een context-archeoloog voel, zijn dat toch wel mooie dingen.

Niet één, maar twee opslagkamers

De IJzertijd-vondsten komen allemaal nog uit lagen die jonger zijn dan ons eigenlijke doel, de bewoningsresten uit rond 700 v.Chr. In de oostelijke squares zijn we deze week begonnen met het verwijderen van de dikke puinlaag uit deze fase. Dat moet zeer voorzichtig gebeuren, omdat er nuttige aanwijzingen in deze puinlaag kunnen zitten, maar ook willen we de voorwerpen op de vloer niet beschadigen. Het puin is oranjerood gekleurd en bestaat uit grote brokken verbrande kleitichel. We zitten vlak boven de vloeren. In de opslagkamer, waarover ik eerder heb geschreven, steken intussen allerlei kruiken boven het puin uit, wel natuurlijk allemaal beschadigd door het ingestorte dak. We hebben donderdag alles voorbereid om na het weekend meteen de vloer te kunnen bereiken. Het blijken intussen niet één, maar twee kamertjes te zijn. Belangrijke vragen zijn natuurlijk wat er hier werd opgeslagen (los van het eerder gevonden graan), maar ook of er verschillen zijn tussen de twee kamers. Hadden ze speciale functies? Lagen hier verschillende producten?

Voedsel of offer

In de IJzertijd, maar ook al eerder, hadden religieuze gebouwen vaak aangrenzende opslagruimtes. Er zijn hiervoor verschillende verklaringen. Het zouden offers kunnen van bezoekers, of schenkingen aan de personen die in het heiligdom werkten. In het geval van Damiyah, waar rond 700 v.Chr. naast het heiligdom niet heel veel andere gebouwen stonden, kan het ook voedsel zijn geweest voor langstrekkende reizigers. Het heiligdom was wellicht een soort herberg. We proberen uiteraard hierover uitsluitsel te krijgen, onder andere door veel monsters te nemen van de inhoud van de kruiken en het vloeroppervlak. In het puin vonden we ook drie grote scherven van een aardewerken menselijk beeld. Twee beelden hebben we reeds in eerdere seizoenen gevonden. Het is te hopen dat de rest nog op de vloer ligt en dat de graven niet te veel van de originele context hebben beschadigd.

Nog twee weken

We hebben nog twee graafweken en we zijn optimistisch dat we niet alleen de object-archeologen, maar ook de context-archeologen nog blij zullen maken. De verschillende muurtjes uit 700 v.Chr. die we intussen hebben gevonden, laten zien dat het complex op een groot deel van de heuvel stond. Naast een heiligdom bestond het complex uit een open ruimte en een aantal opslagkamers. Welke functie de kamers in het noordelijke deel hadden, is nog onduidelijk. Hierover hopelijk meer nieuws volgende week.

Week 2 (4-11 oktober 2019)

Het mooie aan een opgraving is dat alle teamleden zich vijf weken lang op één ding richten: de geschiedenis van Tell Damiyah. Hierdoor ontstaan er zeer interessante gesprekken, maar ook vele hypothesen en onderzoeksvragen. Zo vroegen we ons deze week af of je, in navolging van het huidige plasticprobleem, als het ware uit het antieke afval zou kunnen afleiden hoeveel mensen er op een IJzertijd-vindplaats hebben gewoond. Of: zou het mogelijk zijn om de herkomst van verbrand graan te herleiden? Maar daarover later meer. Wetenschappelijke discussies zijn niet meer weg te denken tijdens opgravingen. Honderd jaar geleden was er, als het meezat, één archeoloog aanwezig op de opgraving (en tweehonderd lokale medewerkers), tegenwoordig werken we met meer archeologen en specialisten dan lokale medewerkers.

Honderden bewoningslaagjes

Dat kan ook niet anders, omdat het archeologisch onderzoek op een nederzettingsheuvel uiterst complex is. Het heeft niets te maken met het leegscheppen van kamers of graftombes. Er liggen vaak meerdere duizenden jaar aan bewoningsresten verscholen in de heuvel. Deze honderden bewoningslaagjes, putten en verstoringen moeten allemaal herkend worden (en natuurlijk gedocumenteerd). Het is van belang om dit zo snel mogelijk te doen: hoe eerder je een bepaalde laag herkent, hoe beter je de materiële cultuur kan koppelen aan die betreffende afzetting. Herken je de laag te laat, dan zijn de voorwerpen intussen gemengd met resten uit de laag erboven en die kunnen soms vierhonderd jaar jonger zijn. We zijn dus constant bezig om de afzettingen te bekijken en met elkaar te bespreken. De teamleden op Tell Damiyah beginnen hun wetenschappelijke werk niet pas als er voorwerpen worden gevonden, maar vanaf de eerste schep in de grond. De context is vele malen belangrijker dan het voorwerp en juist deze context moet goed worden opgegraven. Zoals al vaker gezegd: je kan het maar één keer opgraven.

Week van de kralen

Afgelopen zondag begonnen we onze tweede week. Het team was iets uitgebreid en we konden dus voor het eerst dit seizoen in alle vier opgravingsputten werken. Het grootste deel van de week hebben we besteed aan het onderzoek naar de twee grafvelden, waarover eerder bericht. Met name in de twee noordelijke opgravingsputten was dat wel een tegenvaller, omdat we eigenlijk dachten dat het grafveld vooral op de top lag. Maar ook aan de zijkant van de heuvel bleken de ‘Byzantijnen’ en ‘Ottomanen’ hun doden te hebben begraven. Het waren natuurlijk geen echte Byzantijnen of Ottomanen. We bedoelen hier eigenlijk ‘graven uit de Byzantijnse tijd’ mee. Het was wel de week van de kralen, want in bijna elk graf lagen grote, maar vooral heel veel en hele kleine kraaltjes. Sommige slechts enkele millimeters groot. Met name in de Byzantijnse periode (1ste millennium na Chr.) werden zowel kinderen als volwassenen met sieraden begraven, vaak gemaakt van glas. De Ottomaanse graven, daarentegen, zijn te herkennen aan een houten structuur net boven de skeletresten. Er ligt nog een aantal graven op ons te wachten, maar eronder komt het verbrande puin al tevoorschijn. Dit puin is ons eigenlijke doel: de ijzertijd rond 700 v.Chr.

Opslagkamer

In het meest oostelijke opgravingsgebied vonden we slechts twee graven en konden we afgelopen week al beginnen aan de IJzertijd-lagen. Er bleken dikke muren te liggen, mogelijk de noordoostelijke hoek van het grote complex. Alles was verbrand en de muren en het puin kleurden mooi rood. In eerste instantie concentreerden we ons op de ruimte aan de binnenkant van het gebouw. Het was slechts een klein hoekje, omdat de rest van de kamer buiten onze opgravingsput lag. Dat is het nadeel van een vast grit-systeem, met 5×5 meter- vakken. Ligt er iets moois buiten je ‘vak’, dan moet je wachten tot je je eigen vak eerst helemaal goed hebt gedocumenteerd, inclusief het tekenen van de profielwanden. In het kleine hoekje bereikten we op woensdag de vloer en daar lagen niet alleen allemaal gebroken potten en opslagkruiken, maar ook de originele inhoud: emmers vol met verbrand graan. We moeten nog onderzoeken of het hier echt om graan gaat, maar het lijkt er in elk geval op dat we een opslagkamer hebben gevonden. Helaas dus maar in een
heel klein hoekje. Op donderdag hebben we samen met onze partner, de Jordaanse Yarmouk universiteit, en het departement besloten om ons terrein uit te breiden, om ook de rest van deze kamer op te graven. Dit was gewoon te belangrijk om te laten liggen. De kamer is waarschijnlijk 5×3 meter groot, en dat belooft volgende week spectaculair te worden.

Handelswegen

Dit jaar graven we vijf weken in plaats van vier. Het geeft ons meer rust om juist dit soort spectaculaire vondsten goed en nauwkeurig op te graven. Maar ook om rustig over bepaalde onderzoeks- en documentatiemethodes na te denken. Volgens de gangbare theorie was het grootste deel van de Jordaanvallei in de 7de eeuw v.Chr. verlaten. Een van de weinige plekken die wel minimale bewoning lijkt te hebben, was Tell Damiyah. Maar deze mensen waren vooral verantwoordelijk voor het heiligdom, en waren geen boeren of veetelers. Het lijkt dus waarschijnlijk dat handelaren de producten in de opslagruimte hadden gebracht. Als we met behulp van isotopenanalyse of een andere methode kunnen bepalen waar het graan was verbouwd, zouden we dus theoretisch kunnen bepalen waar de handelswegen liepen. Omdat archeologisch onderzoek destructief is, moeten we wel nu al bepalen hoe en of we monsters nemen. In de komende week zullen we hierover specialisten raadplegen.

Week 1 (30 september-4 oktober 2019)

Als je landt op Queen Alia International Airport, intussen het prachtige nieuwe vliegveld van Amman, wordt je niet alleen opgewacht door een grote groep wachtende mensen en schreeuwende taxichauffeurs, maar meestal ook door een dikke hete deken. Zeker van mei tot oktober is het zo warm, dat je meteen de AC in de auto aan wilt doen. Tot mijn verbazing moest ik een trui van onder uit mijn koffer halen, omdat het bij mijn aankomst op 21 september ‘slechts’ 23 graden was. Intussen, anderhalve week later, zit ik weer lekker te zweten op mijn kamertje en noteren we net geen 40 graden. De eerste regen verwachten ze hier in precies dertien dagen en tot die tijd blijft het warm – je hebt hier geen weerdienst nodig. De regens zijn de zogenaamde olijfregens: een kleine bui om de olijven schoon te maken. Ieder jaar rond 10 oktober. Na deze regens kunnen de olijven worden geoogst. Ik zal voor de grap eens kijken of ze hier in het dorp gelijk hebben. Gelukkig hangen er in tegenstelling tot afgelopen jaar, dit jaar wel veel olijven aan de bomen. Eentje staat er bij ons in het opgravingshuis midden op de binnenplaats. Gepland in 1984 door wijlen Hubert de Haas, een Nederlandse fotograaf en archeoloog. Ik heb de boom sinds 1993 zien groeien en voel me intussen zeer verbonden met deze prachtige boom. Ik zou niet weten hoeveel archeologen er naar hebben zitten staren, uitgeput na een dag werken. Maar in elk geval heel, heel veel.

Het opgravingshuis

Net als vorig jaar wonen we dit jaar in het opgravingshuis in Deir ‘Alla, een klein dorpje in de Jordaanvallei met een gigantische nederzettingsheuvel in het midden. Tot een paar jaar geleden werd op deze heuvel, Tell Deir ‘Alla, nog door de universiteit Leiden en de Jordaanse Yarmouk Universiteit gegraven. Ook zij woonden in dit opgravingshuis dat speciaal voor archeologen is gebouwd. Er zijn allerlei werkkamers en natuurlijk slaapvertrekken, badkamers, een keuken en zelfs een klein museumpje, alle gelegen rond de binnenplaats. Ons team bestaat op dit moment uit drie Nederlanders en vier Jordaniërs. De komende weken zullen er steeds meer mensen bijkomen en uiteindelijk in de vijfde week zullen we met achttien mensen zijn. Zowel archeologen als specialisten, maar ook een paar Jordaanse studenten die veldwerkervaring willen opdoen. Uiteraard zal ik hierover berichten in de komende weken. Het is altijd weer bijzonder om te zien hoe allen, ongeacht nationaliteit, herkomst of religie, met elkaar keihard en met veel enthousiasme aan een project werken.

Vrijzinnig heiligdom

Net als de afgelopen jaren (het is alweer het negende seizoen) onderzoeken we een kleine nederzettingsheuvel vlak bij de rivier de Jordaan, genaamd Tell Damiyah. Het ligt ongeveer dertig kilometer ten zuiden van het opgravingshuis. Door de bijzondere vondst van een verwoest heiligdom uit 700 v.Chr. wordt de vindplaats intussen vaak geciteerd als het over oude religie gaat. En het gaat vaak over religie in dit gebied, bekend bij veel mensen als het ‘Heilige Land’ of het gebied van de Bijbel. De voorwerpen die we in het heiligdom hebben aangetroffen suggereren dat mensen uit alle windstreken hier offerden, van Assyriërs, Egyptenaren tot Cyprioten. Niet een godheid lijkt dus hier belangrijk te zijn, maar de plek zelf. Iedereen was er welkom. Heel erg vrijzinnig dus en dat in een gebied dat al heel lang lijdt onder afgunst, religieuze tegenstellingen en haat. Naast het heiligdom, dat waarschijnlijk uit meerdere kamers bestond, hebben we aanwijzingen gevonden van minstens een ‘normaal’ woonhuis. Heel veel meer plek was er niet op deze heuvel. Tell Damiyah was vroeger dus zeker geen stad of dorp.

Onverwachte verwoesting

Vorige seizoenen hebben we ons vooral geconcentreerd op de lagen onder het zuidelijke deel van het heiligdom. Deze bewoningslagen dateren uit de 8ste eeuw v.Chr. Ook in deze lagen zijn aanwijzingen gevonden voor religieuze activiteit (zie de weekverslagen uit 2018). Dit jaar zullen we het heiligdom uit 700 v.Chr. verder onderzoeken. We hebben nog geen idee hoe groot het was en uit hoeveel kamers het bestond. Om dit te bekijken zullen we vier opgravingsputten openen ten noorden van de resten die we reeds hebben opgegraven. Daarnaast zijn we heel erg benieuwd of dit grote gebouw volledig verwoest was. Normaal gesproken worden gebouwen altijd leeggehaald door de bewoners. Maar als de verwoesting plotseling is, stort het plafond en de muren in voordat ze hun hebben en houden kunnen redden. Heerlijk voor ons archeologen (niet voor de bewoners), omdat je alles terugvindt.

Graven en oorlogen

Afgelopen maandag konden we beginnen met ons onderzoek. Het Jordaanse leger had ons toestemming gegeven om onze opgraving voort te zetten. Tell Damiyah ligt, zoals de trouwe lezer al weet, in militair gebied op de grens met Israël/Palestina. Hierdoor is het wat ingewikkelder om onderzoek te doen. Maar tot nu toe was al dat wachten en thee drinken zeker de moeite waard. Geheel niet objectief, vind ik het de mooiste plek in het Nabije Oosten. Als je boven op Tell Damiyah staat zie je heuvels, landbouwgrond en een strook met lage struiken en bomen waar de rivier de Jordaan kronkelt. Geen toeterende auto’s, volgebouwde steden of industrie: het is een oase van rust, 320 meter onder zeeniveau (zo diep zitten we hier!). Indrukwekkend en heel mooi. Intussen zijn we in alle squares begonnen. De bovenste laag is verstoord, niet alleen door twee grafvelden, maar ook door recentere oorlogen. Tell Damiyah lag in de WO I, maar ook eind jaren 1960 en begin jaren 1970, op de grens tussen de vechtende partijen. Door zijn ligging (vlak bij de Jordaan) en hoogte, was het een ideale en strategische plek. We vinden regelmatig bewijs voor de gevechten die zich hier hebben afgespeeld, van loopgraven tot kogels. Ons doel echter is de late IJzertijd, en met name de unieke bewoningslagen uit 700 v.Chr.

Eerste muren

De afgelopen dagen zijn we flink opgeschoten. De eerste resten van het complex zijn intussen zichtbaar. De muren zijn gemaakt van vierkante kleitichels, iets wat redelijk bijzonder is. Daarnaast geeft het verbrande puin rond de muren ons goede hoop dat we in de komende weken opnieuw ongestoorde vloeren zullen aantreffen met nog meer informatie over dit unieke complex. We zijn benieuwd naar volgende week. Nu eerst twee dagen thuis werken. Het is namelijk weekend. Naast een berg aardewerken scherven, liggen er botjes en andere vondsten te wachten op een goede documentatie.

Erwin en Martijn Kanters scannen een van de opslagkamers.

Het kleibeeldje van een vrouwelijk figuur, met resten van beschildering.

De Jordaanse studente Raghad Khalayleh met een potje.

De Duitse studente Anna Hofmann aan het werk in een van de opslagkamers.

Het begin van de opgravingsdag op Tell Damiyah. (foto: Yousef al-Zu'bi)

De Jordaanse studente Sanaa aan het werk.

De Jordaanse studente Amarah Abu Zaitoun.

Opgravingswerk in de oostelijke opgravingsvakken.

Het begin van de opgraving.

Archeoloog Diederik Halbertsma documenteert nieuwe vondsten.