Naar school in de Middeleeuwen

RMODokkum, 750-900 na Chr., l. 19,9 cm

In de Middeleeuwen was het nog helemaal niet zo normaal als tegenwoordig dat iedereen kon lezen en schrijven. Veel mensen waren analfabeten. In de late Middeleeuwen echter werd onderwijs voor meer kinderen bereikbaar en nam het analfabetisme af. Het waren vooral jongens die naar school gingen. De meisjes bleven meestal thuis om te leren hoe ze een huishouden moesten besturen.Op de lagere school werden de basisvaardigheden onderwezen in het Nederlands. Daarna konden de leerlingen hun opleiding vervolgen aan de Latijnse school, een prestigieuze middelbare school. Tenslotte kon een zeer select groepje studenten nog doorstuderen aan de universiteit.

Aan het einde van de zestiende eeuw schrijft de Italiaanse reiziger Ludovico Guicciardini in het verslag van zijn reis door de Nederlanden verbaasd: 'In Holland kan iedereen lezen en schrijven, zelfs de boeren'. Waarschijnlijk overdrijft hij een beetje met dat 'iedereen', maar de situatie moet toch wel hebben afgeweken van wat hij thuis in Italië gewend was. Zijn ervaring dat de mensen die hij tegenkwam allen gewoon waren te lezen en dingen op te schrijven, sluit aan bij het idee dat de laatste jaren opgang vindt, dat het niveau van geletterdheid en daaraan verbonden het niveau en de toegankelijkheid van scholing in de late Middeleeuwen een stuk hoger moet hebben gelegen dan we daar dachten.

In de biografieën (vitae) van belangrijke mensen uit de geschiedenis als Aristoteles, Augustinus en Christus, die in de late Middeleeuwen populair waren, vinden we regelmatig afbeeldingen van de kindertijd, waarin de persoon als kind door zijn ouders of moeder naar school wordt gebracht. Braaf aan de hand van de ouder, met in de andere hand een schoolboek of een ABC-plankje, wordt de jongen dan voorgesteld aan een schoolmeester (te herkennen aan zijn kleding), vaak omgeven door een groepje leerlingen. De afbeeldingen zien er steeds hetzelfde uit en vormen een stereotype in deze boeken. Daaruit blijkt dat laat-middeleeuwse mensen dachten dat kennis of wijsheid voortkwam uit scholing op jonge leeftijd. Dat onderwijs zien zij voor zich als bezoek aan een school buitenshuis, waar tezamen met andere scholieren uit boeken wordt geleerd.

De Latijnse school

Ook andere bronnen wijzen erop dat al in de 14 de en 15 de eeuw de school vrij algemeen toegankelijk was en dat het schoolbezoek door het stadsbestuur werd aangemoedigd. Elke parochie heeft in deze tijd minstens één lagere school, waar in de volkstaal het alfabet, de belangrijkste gebeden en het schrift worden onderwezen. Daarnaast heeft elke stad één 'grote school', meestal een Latijnse school, naast andere 'middelbare' scholen. De grote of Latijnse school staat meestal naast de grote kerk en wordt door de stad als prestigieus gezien. Aangezien de kwaliteit van de school - zonder een bovenaf geregeld lesprogramma - sterk afhankelijk was van de meester, proberen steden hun school tot een goede te maken door een beroemde leraar aan te stellen. Achteraf benoemen we die scholen dan ook als 'de Latijnse school van Murmellius in Alkmaar' of 'de school van Johannes Cele in Deventer.' De schoolmeester werd in principe betaald via schoolgeld van de ouders, hoewel veel steden ook een soort 'beurssysteem' hebben gehad, waarbij arme scholieren het schoolgeld werd kwijtgescholden en door de stad aan de meester betaald. Op die manier probeerde men zoveel mogelijk jongens naar de school te halen. Ouders die hun kinderen naar een andere school stuurden, moesten aan de meester van de Latijnse school geld betalen omdat ze hem 'scholieren onthielden'.

Op de Latijnse school werd onderwijs gegeven in het Latijn, met als belangrijkste vak grammatica, waarin ook Latijnse auteurs werden bestudeerd. Daarbij werd vanaf het begin voor 'volwassen' auteurs gekozen, met Vergilius als belangrijkste, vanwege diens mooie Latijn, dat hopelijk dat van de scholier zou vormen. Naast de klassieken, die vaak in speciale schooluitgaven verschenen, werden er vanaf de 12 de eeuw al schoolboeken gemaakt, speciaal gericht op het leren. De belangrijkste daarvan waren de middeleeuwse uitgave in handschrift en in druk van de Donaat, de grammatica van Donatus uit de 4 de eeuw, en reeksen oefendialogen die vaak door schoolmeesters zijn samengesteld. Het basisidee van de Latijnse school was dat een grondige kennis van het Latijn, in de Middeleeuwen de taal van zowel kerk als geleerdheid, leerlingen in staat zou stellen verder te studeren, maar ook allerlei functies te bekleden zoals klerk en koopman. Niet veel scholieren gingen naar de universiteit en veel maakten zelfs de school niet af: aangezien er geen echt examen was, hoefde dat ook niet en kon je weg als je genoeg geleerd had voor wat je wilde (worden).

De scholieren begonnen hun lessen om zes uur 's ochtends en kregen ook op zaterdag les; ze maakten lange dagen, maar ook de pauzes waren lang, tot twee uur, daarin werd gegeten of de kerkdienst bezocht. Ook werd er tussen de lessen door veel gespeeld; dat de school vaak aan de tuin of het plein van de kerk grensde, was daarbij een voordeel. Bij opgravingen op de plaats van middeleeuwse scholen en de pleinen of tuinen in de buurt daarvan zijn tollen, ballen, bikkels en proppenschieters teruggevonden.

Wie gingen er naar school?

De scholen lijken vooral door jongens bezocht te zijn, al zijn er afbeeldingen waarop meisjes op school te zien zijn en geschriften waarin sprake is van een zolder of een zijkamer van de school waar aan meisjes onderwijs werd gegeven. Ook kennen we diverse vrouwen uit deze tijd die kunnen lezen en schrijven; zij moeten dat ergens geleerd hebben. Scholing was dus zeker niet alleen voor jongens, noch alleen voor de elite. Hoewel grote groepen van de samenleving nog steeds geen opleiding zullen hebben genoten, maakten de inspanningen van de steden in de late Middeleeuwen de school wel openbaarder dan die daarvoor ooit was geweest. Het lijkt dan ook zo te zijn dat het onderwijs in de 16 de eeuw voor meer kinderen bereikbaar was dan bijvoorbeeld in de 18 de eeuw en dat het analfabetisme in deze tijd inderdaad opvallend laag kan zijn geweest - dan moet je denken aan minder dan 50% - zoals onze Italiaanse reiziger opmerkte.

Sommige dingen waren echter in de Middeleeuwen exact hetzelfde als nu en het was algemeen bekend dat kinderen een hekel hebben aan school. In een grappig bedoelde opsomming uit circa 1460 van 'Dinghen die selden gheschien [gebeuren]', overgeleverd in een verzamelhandschrift (Het Geraardsbergse Handschrift), is onder andere te lezen 'Jonghe kinder van sulker sede, datsie geerne ter scolen gaen, dit vintmen selden, sonder waen'.