Het goud van de Etrusken

RMO5de eeuw v.Chr., diameter 5 cm
RMO5de eeuw v.Chr., l. 8 cm

Het begin van de Etruskische tijd wordt gekenmerkt door grote verschillen in rijkdom en cultuur tussen en binnen de Etrukische steden. De elite aan de kust tooit zich met luxe-artikelen van oosterse herkomst, die plaatselijk al snel worden nagemaakt. Voor goud worden twee procédés gebruikt: granulatie en filligrain.

Bij granulatie worden minuscule metaalkorreltjes volgens een speciale verhittingstechniek op een ondergrond aangebracht. Dat dat met behulp van bijgemengde houtskoolas gebeurde werd pas in 1935 achterhaald. Deze broche is daarmee gemaakt, en bovendien is een robijn toegevoegd. De fibula is ook in de granulatietechniek uitgevoerd, maar in een locale, Noord-Etruskische variant. Ook is daarop de filigrain-techniek te zien, waarmee zeer fijn gouddraad in allerlei vormen op het oppervlak wordt gelegd.

Bij de grote veranderingen die optreden in de oriëntaliserende fase in de Etruskische kunst valt in het bijzonder de vervaardiging van gouden sieraden op. In het zuidelijke kustgebied ontstond een handelselite die zich een grote luxe kon veroorloven. Binnen de gemeenschappen deden zich steeds grotere sociale verschillen voor. Ook in de rest van Etrurië traden lokale verschillen op in rijkdom en gewoonten. Deze plaatsgebonden verschillen binnen een klein gebied als Etrurië vormen een wezenstrek van de Etruskische beschaving.

Onder de luxe-artikelen die in de graven langs de kust worden aangetroffen bevinden zich voorwerpen die duidelijk van oosterse herkomst zijn: Egyptisch faïence, aardewerken scarabeeën, bewerkt ivoor, gesneden been, prachtig versierde struisvogeleieren, gouden schalen en sieraden. Als herkomst van deze stukken kunnen Noord-Afrika, Phoenicië en Klein-Azië aangewezen worden, maar Etruskische kunstenaars begonnen de geïmporteerde voorwerpen al snel te imiteren. Het is ook niet uitgesloten dat buitenlandse vaklieden zich in Etrurië vestigden. De Etrusken kunnen zo uit de eerste hand kennis gemaakt hebben met de technieken uit het oosten.

Gouden sieraden komen in de Villanova-periode maar zelden voor. In de oriëntaliserende en archaïsche perioden (ca. 700 - ca. 480 v.Chr.) stijgen de productie en techniek tot grote hoogten. Twee procédés in de goudbewerking springen in het oog: de granulatie en het filigrain, beide geïmporteerd uit het oosten (waarschijnlijk uit Syrië), maar in Etrurië tot perfectie gebracht.

Bij de granulatie-techniek worden kleine korreltjes goud in een bepaald patroon aangebracht op een sieraad. Wanneer het voorwerp verhit wordt hechten de korreltjes zich op de ondergrond, zonder ermee te versmelten. Op Etruskische fibula's en broches komen extreem kleine korreltjes voor: de kleinste meten 0,14 mm. Achter elkaar gelegd zijn er ongeveer 70 nodig om de lengte van één centimeter te bereiken. De vervaardiging van de korreltjes en het procédé om ze te doen hechten is tot in de 20ste eeuw het 'geheim der Etrusken' gebleven. De vraag spitste zich toe op de techniek om geheel ronde korreltjes goud te maken en deze vervolgens aan te brengen op een gouden plaat zonder korreltjes en ondergrond met elkaar te laten versmelten. De Engelsman H.A.P. Littledale publiceerde in 1935 een antwoord op deze vragen. Minieme stukjes goud, vermengd met houtskoolas en geplaatst in een afgesloten kroes, kunnen verhit worden totdat ze het smeltpunt bereiken (ca. 1100° C). Ze krijgen dan vanzelf hun ronde vorm, terwijl ze in de as blijven 'zweven' en dus niet vervormen. De korreltjes worden na afkoeling met een vochtige koperhoudende oplossing bestreken en op het gouden voorwerp gerangschikt: bij verhitting smelt het koper eerder dan het goud, en hecht de korrels op de gouden plaat. Dit alles vraagt uiteraard om een nauwgezette controle van de oventemperatuur.

Granulatie werd vaak gecombineerd met filigraan, fijn gouddraad (soms slechts 0,2 mm dik) dat in allerlei vormen op het oppervlak van het sieraad werd gelegd. De draden werden vervaardigd door goud in verhitte toestand uit te trekken, of door reepjes bladgoud uit te rollen.

De granulatietechniek werd in Etrurië op twee verschillende manieren uitgevoerd. In het zuiden, rondom de stad Caere, produceerde men sieraden waarop de korreltjes zo geplaatst zijn dat ze de contouren en de details van de figuren weergeven. In het noorden, bij Vetulonia, werkten de ateliers op een andere manier: met zeer fijne korreltjes goud werden de figuren als silhouetten aangeduid. De korreltjes vullen als het ware de hele figuur ('pulviscolo-techniek'). De fibula met het duifje op de naaldhouder is in de noordelijke traditie uitgevoerd. Het oppervlak is hier vrijwel geheel overdekt met gouden korreltjes van minieme afmetingen (pulviscolo).

In de archaïsche periode (ca. 600-480 v.Chr.) werden ook edelstenen als extra decoratie toegevoegd. De gouden sierschijf heeft centraal een robijn. Hoewel ook schijfvormige oorbellen van deze afmetingen bestaan, heeft dit sieraad waarschijnlijk gediend als broche voor een rijke Etruskische dame, gezien het aanhechtingspunt voor een speld op de achterzijde van het stuk.