Rijksmuseum van Oudheden

RMODe vernieuwde presentatie Egyptenaren.
RMOEen sfeervol nieuw museum.

Het Rijksmuseum van Oudheden, een van de oudste musea in Nederland, is gesitueerd aan het Rapenburg, de beroemdste gracht in Leiden. Het huidige museumgebouw en de collectie hebben een groeiproces van ruim 185 jaar achter de rug.

Het Hof van Zessen

De kern van het huidige museumgebouw aan het Rapenburg is het voormalige Hof van Zessen, genoemd naar de zes nonnen die hier eind zestiende eeuw woonden. Dit toenmalige patriciërshuis had zijn hoofdingang aan de Papengracht. De poort aan het Rapenburg werd in 1637 van een Renaissancegevel voorzien, die in 1943 is gerestaureerd. In de tuin tussen het toenmalige woonhuis en de poort bevindt zich de huidige centrale hal van het museum met de Isistempel uit het Egyptische Taffeh. Op 20 april 1801 kocht de Universiteit van Leiden het Hof en enkele huisjes langs het Rapenburg, de Papengracht en de Houtstraat om onderdak te bieden aan een dependance van de universiteitsbibliotheek.

Het begin van een museumgebouw

In november 1815 besloot de Rijksuniversiteit Leiden om in het Hof van Zessen de natuurhistorische verzamelingen onder te brengen. Dit moment markeert de eerste keer dat het gebouw museum werd genoemd. Pas in 1818 werd het museum daadwerkelijk door koning Willem I gesticht. Caspar Jacob Christiaan Reuvens (1793-1835) werd aangesteld als directeur om een nationaal museum van oudheden gestalte te geven.

De volgende stap naar een volwassen museum was de aankoop in 1819 van de panden aan weerszijden van het poortgebouw aan het Rapenburg en van de overige panden langs de Houtstraat en de Papengracht. Deze woonhuizen moesten tussen 1820 en 1826 plaats maken voor drie nieuwe museumvleugels.

Eerste oudheden gepresenteerd

In 1821 zag in de vleugel aan de Houtstraat de eerste presentatie het licht. Deze bestond uit het Legatum Papenbroekianum van de Amsterdamse notabele en verzamelaar Gerard van Papenbroek, de oudheden uit het Kabinet van Anatomie en Rariteiten en de universitaire muntenverzameling. Vanaf 1620 waren enkele Egyptische en Romeinse voorwerpen ter bestudering opgesteld in het Theatrum Anatomicum (nu in het Museum Boerhaave in Leiden), terwijl de in 1744 verkregen collectie Klassieke Oudheden van verzamelaar Gerard van Papenbroek reeds te bezichtigen was geweest in de Oranjerie van de Leidse Hortus Botanicus.

Gefaseerde bouw

In 1821 volgde de nieuwbouw op de plaats van het hoofdgebouw aan de Papengracht. Dit gehele nieuwe complex werd betrokken door het even tevoren opgerichte Rijksmuseum van Natuurlijke Historie. Van het oude poortgebouw aan het Rapenburg bleef tijdens deze bouw weinig over. De hoekbebouwing Papengracht-Houtstraat werd in 1823 bestemd voor het Physisch Kabinet en voor uitbreiding van het Rijksmuseum van Oudheden. In 1825 werd ook de hoek Rapenburg-Houtstraat bebouwd, bestemd voor het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie. In de huidige indeling van het gebouw is deze gefaseerde ontwikkeling nog goed terug te vinden. De architect van dit complex was Jan de Greef.

Het Rijksmuseum van Oudheden aan de Breestraat

Door de snelle uitbreiding van de collectie oudheden kampte Reuvens al gauw met ruimtegebrek. In 1837 verhuisde het Rijksmuseum van Oudheden naar het verbouwd woonhuis aan de Breestraat 18, waar op 7 augustus van het jaar daarop het 'Archaeologisch Kabinet' voor het eerst in zijn geheel werd opengesteld. De verzameling munten en penningen vond hier, onder een andere directie, ook een onderkomen. Maar ook deze ruimte raakte al gauw overvol door nieuwe aankopen. De toevoeging van een verdieping in 1858 bood weinig soelaas. De collectie gipsen beelden die het museum in 1893 verkreeg, werd daarom in het gebouw van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie aan het Rapenburg tentoongesteld.

In 1903 werden de collecties van de drie Leidse Rijksmusea (Oudheden, Volkenkunde en Natuurlijke Historie) herverdeeld. Vanaf dat moment was het verzamelgebied van het Rijksmuseum van Oudheden beperkt tot de antieke beschavingen van het Mediterrane gebied en de vroegste geschiedenis van Nederland.

Tussentijds aan het Rapenburg

Met de verhuizing in 1837 van het Rijksmuseum van Oudheden naar de Breestraat, en later ook van het Kabinet van Prenten en Pleisterbeelden, kreeg het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie de beschikking over het gehele complex aan het Rapenburg, afgezien van de hoek met het Physisch Kabinet, dat pas in 1861 vertrok.

Op de kleine binnenplaats verrezen in 1839 twee laboratoria. De Rapenburggevel werd bepleisterd, in een poging vocht in het ongestookte gebouw tegen te gaan. In 1918 vertrok het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie uit dit complex en keerde het Rijksmuseum van Oudheden er terug.

Restauratie en verbouwingen in de 20ste eeuw

Van 1943 tot 1947 werd door architect C.J. Kortenbach de Rapenburgfaçade in historische stijl hersteld, naar een tekening van het oude poortgebouw uit 1788. De pleisterlaag aan de gevel werd verwijderd, er kwam weer een zadeldak op en de blindnissen werden voorzien van vensters. Ook werd het hout in de kap vervangen door beton.

Eind 1979 werd de overdekte grote binnenplaats, de centrale hal van het museum, opgeleverd. Deze zaal was gebouwd om de Isistempel uit Taffeh, die in 1969 werd verkregen, te kunnen huizen. Na een brand werd in 1984 ook het koetshuis van Rapenburg 26 aan de Papengracht bij het complex getrokken.

Verbouwen en herinrichten 1996-2001

In 1996 werd een begin gemaakt met een grootscheepse verbouwing van het museumgebouw dat 600 m2 extra ruimte en betere faciliteiten voor het publiek moest opleveren. De zuidelijke vleugel van het museum (het vroegere Hof van Zessen) werd overkapt met een moderne dakconstructie, waarna de drie onderliggende verdiepingen tot tentoonstellingszalen werden verbouwd. De verbouwings- en renovatiewerkzaamheden werden in november 2000 afgerond met de oplevering van de centrale ontvangsthal. Deze Tempelzaal is geheel gerenoveerd en voorzien van moderne publieksfaciliteiten. De presentaties van de vaste collectie zijn opnieuw vormgegeven. Met de oplevering van de laatste presentatie in mei 2001 werd het vijf jaar durende verbouwings- en herinrichtingsproces officieel afgerond.

Het ontstaan van de collecties

De kiem voor het ontstaan van de collecties van het Rijksmuseum van Oudheden werd gelegd in 1744. In dat jaar verkreeg de universiteit van Leiden ca. 150 Griekse en Romeinse sculpturen. Deze collectie was een legaat van de vermogende Amsterdamse notabele Gerard van Papenbroek.

De grote verzamelingen die directeur Caspar Jacob Christiaan Reuvens (1793-1835) in de eerste vijftien jaar van het bestaan van het museum aankocht, bepalen eigenlijk nog steeds de omvang en kwaliteit van met name de Egyptische en Grieks-Romeinse collecties. Bepalend voor de samenstelling van de collectie waren de inspanningen van de luitenant-kolonel Jean-Emile Humbert (1771-1839). Als speciale agent van het museum in Italië was hij actief in de internationale kunsthandel. Door zijn activiteiten bezat het Rijksmuseum van Oudheden rond 1830 als eerste West-Europese museum een collectie Punische en Etruskische oudheden.

Schenkingen en legaten

Daarnaast zorgden schenkingen en legaten vanaf 1830 voor een gestage groei van de museumcollectie. De belangrijkste schenking kwam van koning Willem I. In 1839 kocht hij de Griekse vazen uit de verzameling van Lucien Bonaparte (broer van keizer Napoleon) en schonk ze aan het museum. Andere opmerkelijke schenkingen waren: een royale aanwinst van een aantal mummiekisten en grafvoorwerpen van de Egyptische regering (1893), een complete Egyptische grafkapel (mastaba), verkregen via Mr. A.E.H. Goekoop (1902) en een prachtige torso van koningin Hatsjepsoet en een zeldzaam zwart granieten beeld van een farao (waarschijnlijk Toetanchamon), geschonken door koningin-moeder Emma (1928). Door aankopen, schenkingen en legaten kon naast de omvangrijke Egyptische en Grieks-Romeinse verzamelingen ook een bescheiden collectie oudheden uit het oude Nabije Oosten worden aangelegd.

Een spectaculair onderzoek vond in 1970 plaats bij Colijnsplaat in Zeeland, waar een groot aantal altaren uit de Romeinse periode, gewijd aan de inheemse godin Nehalennia, werd gevonden. Deze altaren zijn toegevoegd aan de collectie Nederland in de Romeinse tijd.

Collectiebeheer voor Nederland

Het Rijksmuseum van Oudheden is sinds 1 juli 1995 een zelfstandige stichting die de rijkscollectie beheert en tot taak heeft deze voor een groot publiek toegankelijk te maken. De collecties van het museum worden tegenwoordig uitgebreid en aangevuld door middel van gerichte aankopen, schenkingen en ministeriële toewijzing van voor Nederland nationaal belangrijke bodemvondsten.