Opgraven in Nederland

Op veel plaatsen in Nederland zijn vanaf het begin van de vorige eeuw foto's van archeologische opgravingen genomen. In 2002 presenteerde het Rijksmuseum van Oudheden de tentoonstelling Dubbelfocus: Nederlandse opgravingsfoto's 1900-1940. Een selectie van ruim honderd opgravingsfoto's uit het archief van het museum schetsen een beeld van de mensen die leefden en werkten in het Nederlandse landschap van toen.

Fotografie: een nieuw hulpmiddel

In de negentiende eeuw werden in Nederland slechts sporadisch opgravingen georganiseerd. Pas rond 1900 kwam daar verandering in. De jonge archeoloog J.H. Holwerda begon vanaf 1905 op professionele wijze opgravingen te organiseren. Het doel was vooral de door hem op te zetten Nederlandse afdeling van het Rijksmuseum van Oudheden meer inhoud te geven. In de loop der jaren bedacht hij allerlei manieren om het onderzoek te verbeteren of anders aan te pakken. Hij was één van de eerste archeologen die de voordelen inzagen van fotografie als nieuw hulpmiddel bij het opgravingswerk. De fotograaf ging daarom steeds vaker mee naar de opgraving, zodat de vondsten en sporen meteen gedocumenteerd konden worden.

Aan het begin van de twintigste eeuw was de techniek van de fotografie zover verbeterd dat het steeds makkelijker werd om overal foto's te nemen. De cameras waren echter nog altijd zwaar, groot en onhandig om mee te werken. Vergeleken met nu, was het maken van een foto niet eenvoudig omdat altijd een lange belichtingstijd nodig was. Dat is ook de reden dat op oude foto's nooit mensen in actie staan. De techniek stond alleen poserende mensen toe, bewegingen hadden slechts een wazige vlek tot gevolg.

De opgraving

Een opgraving uitvoeren was een hele onderneming. Men moest vaak ver reizen en was lang onderweg. De streken in Nederland waar interessante resultaten te verwachten waren, lagen meestal afgelegen. Archeologen verbleven daarom weken of soms maanden achtereen op een opgraving en namen meestal een tent mee. Deze witte tenten met karakteristiek puntdak stonden op de opgravingsplek en dienden als werkplaats voor de archeoloog. De echtgenote reisde meestal met haar man mee en leverde soms een bijdrage aan het werk door tekeningen te maken en vondsten te wassen. De archeologen zelf beperkten zich op de opgraving tot vondstverwerking en sporenonderzoek en gaven vanaf de kant aanwijzingen aan de ingehuurde arbeiders die het graafwerk deden. De werklui waren vaak mannen uit de buurt, die tijdelijk werden ingehuurd om voor een karig loon te graven.

Rangen, standen en mensen

Voor de tentoonstelling Dubbelfocus: Nederlandse opgravingsfoto's 1900-1940 (2004) zijn veel foto's met mensen geselecteerd. Vooral de strikte sociale hiërarchie die honderd jaar geleden in de Nederlandse samenleving bestond valt op, zoals het verschil in stand tussen de werklieden en de archeoloog. De archeoloog was altijd gekleed in zijn onbezoedelde nette pak en trad op als een soort opzichter die zelf zijn handen niet vuil maakte. De welgestelde personen uit de buurt, of andere belangrijke bezoekers, werden met de nodige voorkomendheid ontvangen. Een treffende foto is die uit 1909 waarop de archeoloog en een dominee uit de buurt een flinke sigaar roken en de arbeiders met hun modderige kleren terzijde staan.

In het begin van de twintigste eeuw toonde het Koninklijk Huis een warme belangstelling voor de archeologie en de opgravingen in Nederland. Een paar keer hebben koningin Wilhelmina en prins Hendrik de opgravingen van Holwerda bezocht. Uiteraard moest het hoge bezoek op de foto. Een saillant detail is dat bij een eerder bezoek van koningin Wilhelmina Holwerda van de weeromstuit de beleefdheidsregels vergat en op de foto met de koningin zijn hoed nog op heeft. Gelukkig hield hij zich een paar jaar later wél aan het protocol. Eerbiedig staat hij met ontbloot hoofd naast prins Hendrik, wanneer deze in 1909 een opgraving in Vaassen bezoekt.

Ook de arbeiders stonden af en toe op een foto. Ze poseerden met vondsten of ze dienden als een soort meetlat, want met een persoon ernaast kun je veel beter zien hoe groot bijvoorbeeld de stenen van een hunebed zijn. Een foto die in 1934 bij Nijmegen is gemaakt, was bedoeld als een soort publiciteitsfoto waarop een groepje arbeiders poseert met de vondsten van een in scène gezette opgraving. En dan is er nog een speelse foto van een jongedame die in haar zondagse kleren in een kuil zit, met de vondsten naast haar uitgestald. De foto werd gemaakt in 1913 in het Noord-Brabantse plaatsje Cuijk.

Veranderend Nederland

Het zijn niet alleen de mensen die er op de foto's anders uitzien dan nu. Soms is het bijna onthutsend om te zien hoe sterk het aanzien van Nederland in nauwelijks honderd jaar is veranderd. De fotografen richtten hun lens nu en dan ook op de wereld om hen heen en maakten foto's van plaggenhutten op het platteland of van uitgestrekte landschappen waar geen weg of bebouwing te bespeuren valt. Wie nu naar de foto's kijkt, ziet hoe snel Nederland de afgelopen eeuw is veranderd. De leegte en kleinschaligheid van het landschap hebben in ijltempo plaats gemaakt voor een gestructureerd en volgebouwd land.

Tijdens een opgraving in Drenthe is ook de armoede op het platteland door de fotograaf vastgelegd. Beelden van een in verval geraakte watermolen of een boerengezin dat poseert voor een bouwvallige plaggenhut langs een modderige weg zijn in het Nederland van 2002 ondenkbaar, maar waren nog geen honderd jaar terug in sommige streken werkelijkheid.