Kammen

RMOFiguur 1: Afbeelding van een éénzijdige kam en een tweezijdige kam uit één stuk ( bron: K. Ambrosiani, 1981).
RMOFiguur 2: Eénzijdige drielaagskam (bron: K. Ambrosiani, 1981).
RMOFiguur 3:Tweezijdige drielaagskam (bron: K. Ambrosiani, 1981).
RMOFiguur 4: lange kam. Datering: 600-800.
RMO Figuur 5: vleugelkam. Datering: 600-800. Dit  type kam
noemt men een vleugelkam, omdat de eindplaten
uitsteken. Het lijkt net alsof de kam vleugels heeft.
RMO Figuur 7: Gedeeltelijk tweezijdige kam. Dit type kam
heeft voor een deel aan twee zijden tanden.
RMO Figuur 8: Baard- en snorkammetje van ivoor.
Datering: 900-1100.

Het Rijksmuseum van Oudheden heeft een groot aantal kammen uit de Romeinse tijd (15 v. Chr. -440 na Chr.) en de Vroege Middeleeuwen (440-1050 na Chr.) in haar collectie. Deze kammen zijn van been, gewei, hoorn, ivoor, hout en metaal gemaakt. Vaak zijn de kammen mooi versierd. Kammen behoorden misschien al tot de persoonlijke uitrusting sinds het Neolithicum (5300-2000 v. Chr.). Veel van de kammen uit deze periode kunnen echter ook voor het weven en kaarden van wol gebruikt zijn.

Een kam behoort tot het toiletgerei en dient ter verzorging van het haar. Niet alleen voor mensen, maar ook voor paarden en honden. In het verleden waren er verschillende typen kammen in gebruik, die verschillende functies hadden. Naast de gewone haarkam  waren er kammen die dienden als steekkam, om een opgestoken kapsel te verstevigen in combinatie met haarpennen. Er waren ook kammen die gebruikt werden om wol te kaarden, zodat de wol gesponnen kon worden en kleine weefkammen, waarmee wollen of linnen bandjes in allerlei patronen geweven konden worden. De geweven bandjes werden gebruikt als gordel rondom het middel en er werden kledingstukken mee versierd. Deze tekst gaat voornamelijk over haarkammen.

Vervaardiging: Enkelvoudige kammen

De oudste kammen werden uit één stuk been, hout, hoorn of metaal gemaakt (figuur 1). De kammen uit één stuk konden aan één zijde of aan beide zijden tanden hebben. Voor het vervaardigen van benen kammen waren de botten van de ledematen van dieren het meest geschikt. Als een ambachtsman een kam wilde maken, die uit één stuk been bestond, zaagde hij een lange dunne plaat uit een bot van een dier, zoals bijvoorbeeld uit een middenvoets- of middenhandsbeen van een rund of uit het scheenbeen van een paard. Vervolgens zaagde de ambachtsman tanden in deze plaat. Hij versierde de kam en werkte hem verder af. Een kam van hout of ivoor maakte hij op dezelfde manier. Hoorn van rund, schaap of geit moest eerst vervormd worden. De buitenste laag van de hoorn van een schaap, een geit of een rund zaagde de ambachtsman in verschillende delen en hij legde die in heet water, zodat het materiaal week werd. Vervolgens kon hij de hoorn dan uitbuigen tot een vlakke rechte plaat. Van deze rechte plaat kon hij een kam uit één stuk maken. Kammen uit één stuk brons werden op een andere manier vervaardigd. Het brons, dat een legering is van koper en tin, werd met behulp van een smeltkroes in een oven of vuur gesmolten. De smid goot vervolgens deze vloeibare substantie in een mal van aardewerk of steen. In deze mal had hij de vorm uitgesneden van de kam die hij wilde maken. Als de mal en het brons afgekoeld waren, werkte hij de kam af.

Vervaardiging: kammen met meerdere lagen

De meerlagige kammen worden ook wel drielaagskammen genoemd, omdat ze uit drie lagen bestaan: twee handgreepbladen en een laag tandenplaten (figuur 2 en 3). Drielaagskammen werden meestal van gewei van (van edelhert, eland of rendier) gemaakt. Gewei is namelijk veel taaier en flexibeler dan been. De tanden van de kam braken daardoor minder snel af en de kam kon langer gebruikt worden. Gewei is in de lengterichting veel taaier dan in de dwarsrichting. Daarom zaagde een kammenmaker de tanden in de lengterichting in het gewei. Omdat een geweistang maar een beperkte diameter heeft, kon de ambachtsman slechts smalle plaatjes in de lengterichting uit het gewei zagen. Om toch een brede kam te kunnen maken, legde hij verschillende van zulke smalle plaatjes gewei naast elkaar. Deze plaatjes klemde hij tussen twee handgreepbladen in. De handgreepbladen maakte de ambachtsman van een gespleten tak van een gewei. Door middel van klinknagels van brons of ijzer werden de plaatjes en de handgreepbladen aan elkaar bevestigd. Daarna zaagde hij de tanden in de plaatjes. Hierbij bleven er soms zaagsporen achter op de handgreepbladen. De tanden scherpte hij aan de onderzijde aan tot een punt of hij liet ze recht. De handgreepbladen versierde hij voordat hij de verschillende onderdelen van de kam aan elkaar bevestigde. De versiering bestond uit ingekraste lijnen en ingesneden puntcirkelversieringen in tal van combinaties. Als laatste werkte hij de kammen netjes af met een vijl en polijste hij ze met puimsteen. Meerlagige kammen werden ook van been gemaakt. De handgreepbladen maakte men dan van ribben en de tandenplaatjes werden uit een ledemaatbot gemaakt.

Er werden ook meerlagige kammen gemaakt die benen handgreepbladen hadden en tandenplaten van gewei. Ook heeft men hele mooie kammen gevonden, die bronzen handgreepbladen hadden en tandenplaten van gewei. 

Typen kammen: Neolithicum, Bronstijd, IJzertijd en Vroeg-Romeinse tijd

Er zijn buiten Nederland benen kammen uit één stuk gevonden in graven van de Bandkeramische cultuur van het Vroeg-Neolithicum A (5300-4900 v. Chr.). In de Bronstijd (2000-800 v. Chr.) vervaardigde men éénzijdige of tweezijdige kammen uit één stuk been, hoorn of metaal. In Roswinkelerveen in de provincie Drenthe is een tweezijdige kam van hoorn gevonden uit de Bronstijd (2000-800 v. Chr.). In Scandinavië heeft men in graven uit de Bronstijd (Scandinavische bronstijd: 1700-500 v. Chr.)  korte metalen kammen met sierlijk opengewerkte handgreepbladen gevonden. Ook in de IJzertijd (800-15 v. Chr.) en de Vroeg Romeinse tijd (15 v. Chr.- 70 na Chr.) werden kammen uit één stuk gemaakt. In het begin van de Romeinse tijd maakten ambachtslieden onder andere rechthoekige kammen van Buxushout met aan beide zijden tanden en kammen met een halfrond handgreepblad, die aan één zijde tanden hadden. In de eeuwen hierna maakte ambachtslieden overwegend drielaagskammen. Vanaf de Romeinse tijd (15 v. Chr.-440 na Chr.) werden de kammen waarschijnlijk door gespecialiseerde ambachtslieden gemaakt.

Typen kammen: Laat-Romeinse tijd, Vroege Middeleeuwen en latere perioden

In de Laat-Romeinse tijd (270-440 na Chr.) en de Vroege Middeleeuwen (440-1050 na Chr.) waren er afwisselend en tegelijk verschillende typen kammen in de mode. De kammen die in de mode waren, werden in verschillende delen van Europa nagemaakt en kwamen wijdverspreid voor. In de derde en vierde eeuw na Chr. maakte ambachtslieden onder andere meerlagige kammen met een halfrond of driehoekig handgreepblad, die aan één zijde tanden hadden. Typen die kenmerkend zijn voor de Vroege Middeleeuwen zijn onder andere de lange kam, die soms wel 30 cm lang was (figuur 4), de vleugelkam (figuur 5), de kuifkam (figuur 6) en de gedeeltelijk tweezijdige kam (figuur 7).

De ambachtslieden gebruikten afgeworpen gewei en schedelvast gewei. Elk jaar werpt een mannelijk hert zijn gewei af na de bronsttijd. Dit gewei werd verzameld. Ook jaagde men op herten om aan voldoende gewei te komen. Waarschijnlijk liep het aantal edelherten als gevolg van de jacht sterk terug. Daarom gebruikte de ambachtslieden vanaf de Karolingische tijd (750-900 na Chr.) ook weer het minder flexibele been om kammen van te maken. Zij gingen toen bijvoorbeeld kammen maken met een kort handgreepblad en hele lange tanden. De tanden maakten ze heel lang, omdat deze dan door konden buigen. Die tanden braken minder snel af dan kortere benen tanden. Deze kammen werden waarschijnlijk als steekkam voor in het haar gebruikt. Er zijn ook wetenschappers die denken dat het weefkammen of kaardenkammen zijn. In de Karolingische periode (750-900 na Chr.) werden er ook kammen gemaakt van been èn gewei. Dit deed men waarschijnlijk vanwege een tekort aan gewei. Er waren ook hele kleine kammetjes van ivoor (figuur 8).

Deze werden gebruikt om een baard of snor te kammen. De Vikingen gebruikten deze kammetjes elke dag om hun baard en hun snor in model te kammen en schoon te houden. Ook werden er in de Vroege Middeleeuwen liturgische kammen van ivoor gemaakt. Deze werden met name van olifantsivoor gemaakt. De kammen waren voor bisschoppen en zij kregen soms hun eigen kam mee het graf in. Met zon ivoren kam werd het haar van de bisschop gekamd tijdens zijn wijding. Dit was een soort ritueel. 

Vanaf de veertiende eeuw gingen ambachtslieden ook weer kammen van hout maken. Rond het einde van de negentiende eeuw kwam ons huidige type kam in gebruik. De kammen werden toen van hoorn gemaakt. Vanaf de jaren 30 van de vorige eeuw werden de kammen niet meer van hoorn, maar van plastic en celluloid gemaakt.