Inleiding glas in de Oudheid

Glas komt voor het eerst voor in het 4de millennium v.Chr., als glazuur. Pas rond 1500 v.Chr. worden de eerste flessen en glazen gemaakt. Antiek glas is meestal blauw-groen van kleur, en is tegenwoordig vaak sterk verweerd ten gevolge van chemische processen in de bodem. Gaaf antiek glas komt vrijwel altijd uit graven, waardoor het ook goed dateerbaar is. Maar ook die stukken zijn heel breekbaar, want glas is wel duurzaam, maar corrodeert op den duur toch. Restauratie is bijzonder moeilijk, want wegens het doorzichtige karakter van het materiaal kan een restauratie niet gecamoufleerd worden. Glas diende in de oudheid vooral als siermateriaal en voor vaatwerk, maar had ook meer onverwachte toepassingen, zoals dobbelstenen, bikkels en medische instrumenten. Pas kort na het begin van de jaartelling passen de Romeinen glas in vensters toe. In het koude noorden wordt dat heel populair. Het vroegste glaswerk komt uit het Nabije Oosten, en wordt vandaar in Egypte geïntroduceerd. Met de val van de Bronstijdculturen vanaf 1200 v.Chr. raakt de techniek echter in de vergetelheid. Het glas uit deze periode is gemaakt door een keramische staaf te omwikkelen met klei en rollen half gesmolten glas. De glazenier bewerkt dan het oppervlak en verwijdert uiteindelijk de kern. Dit als 'zandkern'-techniek bekende procédé wordt in het Nabije Oosten weer populair rond 700 v.Chr. Vandaar verspreiden Phoenicische en Griekse handelaren het over de gehele wereld. Vanaf Alexander de Grote wordt daarnaast ook 'vormgeperst glas' grootschalig geproduceerd, waarmee ook open vormen kunnen worden gemaakt, zoals kommen en schalen. Dit soort glas werd uit glasafval met mallen vervaardigd. In de mal konden ook patronen worden gemaakt, die bovendien uit meerdere kleuren konden bestaan: mozaïekglas. Dit luxeproduct is erg populair in de Romeinse periode, en Alexandrijnse producenten vestigen zich dan in Italië. Glasblazen wordt rond 50 voor Chr. in Palestina uitgevonden. Deze techniek vereenvoudigt het procédé, en maakt glas ook veel goedkoper. Bovendien zijn de producten nu veel fijner en in een veel groter vormenrepertoire te vervaardigen. Dit 'vrijgeblazen glas' maakt een snelle zegetocht in de Romeinse wereld. Glas wordt nu een algemeen gebruiksartikel. Maar ook geblazen glas kan uit een vorm komen. 'Vormgeblazen glas' wordt gebruikt voor reliëfglazen, flesjes in de vorm van vruchten of lichaamsdelen, of vierkante flessen. Een andere versieringstraditie is glasslijpen, dat door Egyptische en Levantijnse ateliers in Noord-Europa wordt geïntroduceerd. Omgekeerd nemen ateliers uit het oosten ook motieven en procédés uit het westen over. Pas in de 4de eeuw na Chr. scheiden oost en west. Tot de categorie geslepen glas, dat altijd in koude toestand werd gemaakt, hoort ook het facetteren. Geslepen glas is altijd kleurloos. De glascollectie van het Rijksmuseum van Oudheden is vooral de laatste eeuw ontstaan. Deels zijn die uit de kunsthandel verkregen, zodat herkomst en context onbekend zijn. Maar sommige stukken stammen uit goed gedocumenteerde opgravingen in Libanon. Ook uit schenkingen kreeg het museum veel glas, onder andere uit legaten. Vondsten uit eigen Nederlandse bodem zijn meestal goed gedocumenteerd.

1. Algemeen

1.1 Antiek glas

In het 4de millennium v.Chr. zien we voor het eerst glas, in de vorm van glazuur op vaatwerk en tegels. Rond het midden van het 3de millennium zijn de eerste glazen kralen gemaakt. Het vroegste glazen vaatwerk is vervaardigd rond het midden van het 2de millennium v.Chr. Onder antiek glas wordt hier het glas verstaan tot aan de Islamitische periode in het Oosten en de Frankische tijd in het Westen, dus vanaf de 15de eeuw v.Chr. tot in de 7de eeuw na Chr.

Glas werd in de oudheid verkregen door het samensmelten van kwartszand, kalk en soda(gewonnen uit verbrand zeewier) bij een temperatuur van ca. 1100 °C. Het gloeiend hete, taai-vloeibare glas dat dan ontstaat, kan tijdens het geleidelijke afkoelingsproces in de gewenste vorm worden gebracht. In de oudheid gebeurde het smelten in aardewerk kommetjes boven een vuur in de oven.

Antiek glas heeft vaak een blauwgroene of groenige tint, de natuurlijke kleur van glas. Kleurloos glas kende men ook reeds. Het werd verkregen door toevoeging van bruinsteen tijdens het fabricageproces of door gebruik te maken van zeer zuiver zand, zonder de ijzerverbindingen, die de groenachtige tint veroorzaken.

In sommige perioden was sterk gekleurd glas in de mode. Het werd verkregen door tijdens het fabricageproces metaaloxiden toe te voegen. Kobaltblauw glas ontstaat bijvoorbeeld door toevoeging van kobaltoxide, melkwit glas door toevoeging van tinoxide en donkergroen door koperoxide.

Antiek glas is door het verblijf in de bodem in meer of mindere mate aangetast. Het glasoppervlak is verweerd of verkleurd door chemische reactie met stoffen in de grond. Soms is het glas geïriseerd. Het schilferende verweringslaagje vertoont dan alle kleuren van de regenboog. Dit effect wordt door verzamelaars bijzonder gewaardeerd.

1.2 Verwerving

Antiek glas kennen wij doordat het in de bodem is terechtgekomen en bewaard gebleven. Het werd in de oudheid weggegooid nadat het was gebroken, maar het werd ook opzettelijk in de grond gestopt als grafgift voor de overledenen. Glaswerk van de laatste categorie levert het beste materiaal voor glascollecties. Het is meestal gaaf en in elk geval compleet aanwezig zodat het, mocht het door de druk van de grond zijn gebroken, weer in elkaar kan worden gezet.

Wanneer gaaf glaswerk bij opgravingen, uitgevoerd door deskundigen, tevoorschijn komt, is het vaak mogelijk er een datering aan te geven. Die datering wordt dan ontleend aan begeleidende vondsten zoals munten of aardewerk. Munten geven meestal een eigen datering, omdat er een jaartal op staat, aardewerk is ingedeeld in typologieën die met elkaar een chronologisch kader vormen.

Omdat gaaf glaswerk van oudsher een geliefd verzamelobject is, is er een levendige handel in ontstaan. 'Vinders' krijgen er in de kunsthandel een aardig bedrag voor. De vindplaats wordt meestal verzwegen om geen slapende honden wakker te maken. Het glas in de kunsthandel is daarmee beroofd van zijn archeologische context.

Gelukkig wordt er ook veel glas op archeologisch verantwoorde wijze tevoorschijn gebracht. Van dit glas zijn inmiddels typologieën opgesteld die het chronologisch kader vormen voor het glas uit de kunsthandel.

1.3 Conservering

Glas is zeer duurzaam, d.w.z. bestand tegen corrosie. Maar wanneer het langdurig in contact wordt gebracht met water, zoals in een vochtige bodem of in een vochtige atmosfeer het geval is, kan het gaan corroderen doordat het water de alkalische component van het glas, de soda, aan het oppervlak onttrekt. Het glasoppervlak gaat schilferen en de corrosie krijgt de kans dieper door te dringen in de glaswand die daardoor steeds dunner wordt. Het glas wordt als gevolg daarvan zeer breekbaar. Hoewel er tegenwoordig veel onderzoek wordt verricht naar de corrosieprocessen bij antiek glas, is het nog niet mogelijk een standaardprocedure toe te passen om corrosie te stoppen.

Bij het opgraven van glas is het van groot belang het voorwerp uitvoerig te documenteren alvorens het op te tillen. Het is namelijk niet te voorspellen of het glas deze handeling zal overleven. Misschien is het nog slechts de grond eromheen die het voorwerp bijeen houdt. Er bestaat geen standaardprocedure om glas tijdens de opgraving te consolideren. Soms wordt met succes een matrix van hars of was gemaakt die de glasfragmenten bijeenhoudt.

Eenmaal opgegraven, mag het glas niet aan grote temperatuurschommelingen en veranderingen in de luchtvochtigheid worden blootgesteld. Grond en ander vuil dat aan het oppervlak van het glas kleeft, kan het beste worden verwijderd met een zachte borstel, eventueel kan een gladde doek, vochtig gemaakt met gedestilleerd water, worden gebruikt. De beslissing om de corrosielaag die onder het vuil tevoorschijn komt te verwijderen, moet aan een deskundig restaurator worden overgelaten. Voordeel van verwijdering is dat zo een perfect oppervlak te voorschijn kan komen.

Glas met een corrosielaag moet uiterst voorzichtig behandeld worden omdat de laag gemakkelijk afschilfert. Bij vervoer moet gebruik worden gemaakt van zacht inpakpapier met een gladde kant, die naar het glas toegekeerd is, zodat geen glasschilfers aan het papier blijven hangen.

Het glas wordt soms voorzien van een dun laagje hars of een anorganisch materiaal om het te beschermen tegen klimaatsinvloeden. Maar er is nog veel onderzoek nodig voordat zo'n laagje kan worden gezien als een betrouwbare bescherming. Op het moment is het nog altijd het beste glas te bewaren bij een redelijke luchtvochtigheidsgraad en het te behoeden voor extreem hoge of lage temperaturen.

1.4 Restauratie

Het restaureren van glas is heel moeilijk in vergelijking met andere materialen. Glas is meestal doorzichtig zodat de camouflage van een reparatie onmogelijk is. Zelfs bij gebruik van lijm in dezelfde kleur als het glas, of kleurloze lijm, is onzichtbare reparatie niet mogelijk omdat de lijm een andere lichtbreking geeft dan het glas.

Het weer opbouwen van een glazen voorwerp uit scherven kan als volgt geschieden. Eerst moeten delen worden gevormd uit scherven die aan elkaar worden gezet met dunne strookjes transparant plakband. De delen worden vervolgens op dezelfde wijze aan elkaar gezet zodat een zo compleet mogelijk geheel ontstaat. Vervolgens worden de barsten aangetipt met lijm die zich zeer gelijkmatig zal verdelen door de capillaire werking. De beste lijm is in dit geval ultra violetlijm die als voordeel heeft dat hij pas uithardt onder inwerking van UV-licht.

Ontbrekende stukken kunnen worden aangevuld met kunsthars in dezelfde kleur als het glas. Het is helaas niet mogelijk dat onzichtbaar te doen. Op termijn zal de kunsthars altijd verkleuren. Alleen zandkernglas kan met succes onzichtbaar worden aangevuld, omdat het niet transparant is.

1.5 De verschillende toepassingen van glas in de oudheid

Glas kent reeds in de oudheid vele toepassingen. In de eerste plaats zijn er sieraden van gemaakt, amuletten en inlegwerk. Daarnaast is veel vaatwerk van glas gemaakt. Het glazen vaatwerk wordt meestal ingedeeld in tafelservies, huishoudglas en parfum en balsemflesjes.

De vormenschat van het tafelservies is de meest gevarieerde, bestaande uit: schalen, kommen, borden, bekers, kannen en karaffen. Het huishoudglas bestaat uit flessen en voorraadpotten. De balsem- en parfumflesjes dienden als verpakkingsmateriaal van allerlei soorten cosmetica.

Glas is ook gebruikt om spelschijfjes en dobbelstenen van te maken en ander spelmateriaal, bijvoorbeeld bikkels. Het kende ook reeds in de oudheid de eerste toepassing op medisch gebied, in de vorm van kopglazen die werden gebruikt bij aderlatingen.

Vensterglas is voor het eerst toegepast in de eerste helft van de 1ste eeuw na Chr. in Rome. Aanvankelijk werden alleen verwarmde ruimtes, bijvoorbeeld in badgebouwen, van glazen ruitjes voorzien. Na de verovering van de noordwestelijke provincies, is hier op grote schaal vensterglas gebruikt om de kou te weren. Tot de vaste bezetting van een legioen behoorde de vensterglasmeester, de speculariarius.

Vensterglas werd gegoten op een plaat, voorzien van randen en bestrooid met fijn zand. De ene zijde van het vensterglas is daardoor altijd enigszins ruw. Het glas is doorschijnend zonder evenwel doorzichtig te zijn.

2. De antieke glastechnieken in historisch perspectief

2.1 De vroegste bloeiperiode

Vaatwerk van glas komt voor vanaf ca. 1500 v.Chr. in het Nabije Oosten, o.a. in Noord-Syrië en in Mesopotamië. In het eerste kwart van de 15de eeuw zien we ook in Egypte voor het eerst glazen vaatwerk. Er zijn ten minste drie stuks glazen vaatwerk bewaard die de cartouche van de farao Thoetmosis III (1505-1450 v.Chr.) dragen. Het is waarschijnlijk deze farao geweest die tijdens een van zijn veroveringstochten glaskunstenaars uit het Nabije Oosten heeft meegenomen, die de eerste glasateliers in Egypte stichtten.

De bloeiperiode van de vroegste glasproductie valt zowel in het Nabije Oosten als in Egypte rond het midden van de 14de eeuw v.Chr. In de 12de eeuw v.Chr. raakt de productie in verval, gelijktijdig met het verval van de Bronstijdculturen in het oostelijk deel van het Middellandse Zeegebied.

2.2 Zandkernglas

Het glazen vaatwerk uit de periode van ca. 1500 tot 1200 v.Chr. is meestal gemaakt in de zandkerntechniek. Deze term is misleidend zoals zal blijken, maar blijft gehandhaafd omdat hij nu eenmaal is ingeburgerd.

Moderne experimenten hebben aangetoond dat vaatwerk van zandkernglas waarschijnlijk als volgt is vervaardigd. Rond het uiteinde van een staaf van gebakken klei, een keramische staaf, wordt een kern gevormd van klei met een organisch bindmiddel. Om deze kern worden draden taai-vloeibaar glas gewikkeld. Vervolgens maakt de glaskunstenaar de buitenkant van het aldus gevormde flesje glad door het, terwijl het nog aan de staaf vastzit, te rollen over een platte steen. Daarna brengt hij versiering aan, meestal in de vorm van gekleurde glasdraden die hij met behulp van een soort pincet in zigzagpatronen kamt en vervolgens in het oppervlak rolt. Ten slotte zet hij standring, oren en rand aan en verwijdert hij de kern en de staaf. Omdat men vroeger aannam dat in de kern voornamelijk zand was verwerkt, is de term zandkernglas ontstaan. Het zou beter zijn de term kernglas te gebruiken zoals de Engelsen doen die spreken van core-formed vessels.

Overigens is het met deze techniek slechts mogelijk kleine, gesloten vormen te maken, zoals flesjes voor het bewaren van geparfumeerde olie of andere zalfachtige smeerseltjes.

2.2.1 De 'renaissance' van het zandkernglas

Na een periode van verval zien we aan het einde van de 8ste eeuw v.Chr. voor het eerst weer zandkernglas verschijnen in het Nabije Oosten, en wel in Syrië en Mesopotamië. Tot grote bloei komt dit zandkernglas in de periode van de 6de tot de 4de eeuw v.Chr. Phoenicische en Griekse handelaren zorgen voor een zeer wijde verspreiding van de flesjes met hun kostbare inhoud. Zandkernglas komt in deze periode voor in het gehele Middellandse Zeegebied en ver daarbuiten tot in Zuid-Rusland, de Balkan en Gallië.

Aangezien de vormen van het glazen vaatwerk zijn ontleend aan die van het contemporaine Griekse aardewerk: de aryballos, de oinochoe, de amforiskos en de alabastron, en het Griekse gebied in deze periode een grote culturele bloei beleefde, ligt het voor de hand te veronderstellen dat zandkernglas destijds ook in het Griekse gebied is vervaardigd. Bewijzen, in de vorm van teruggevonden ovens of misbaksels, bestaan voor deze veronderstelling echter niet.

Men veronderstelt trouwens ook dat in Iran destijds vaatwerk in de zandkerntechniek is vervaardigd. Dat de techniek in deze periode nog steeds populair is voor het maken van kralen, laten de Phoenicische gezichtskralen zien, die in het Syrisch-Palestijnse kustgebied, het thuisland van de Phoeniciërs zijn vervaardigd.

In Egypte bestaan in deze periode geen aanwijzingen meer voor glasproductie. De enkele teruggevonden exemplaren zijn importstukken.

2.2.2 De Hellenistische periode

In deze periode, die globaal van ca. 330 tot 30 v.Chr. loopt, komen technieken tot bloei die weliswaar reeds lang bekend waren, maar nooit op grote schaal zijn toegepast. De techniek om glas te persen in een vorm, kortweg vormgeperst glasgenoemd, is de bekendste. Deze techniek maakt het mogelijk grotere, open vormen van glas te vervaardigen zoals schalen, kommen en borden. Deze vormen worden zowel in één kleur (monochroom) als veelkleurig (polychroom) gemaakt. Veelkleurig vormgeperst glas wordt mozaïekglas genoemd.

Inlegwerk is ook een vorm van mozaïekglas. Het is naast sieraden de oudste toepassing van glas, die evenwel pas in deze periode echt populair wordt. Hoewel al in het 3de millennium v.Chr. de monumentale gebouwen in het Nabije Oosten en de sarcofagen der farao's in Egypte werden versierd met veelkleurig inlegwerk van glas.

Daarnaast blijft men flesjes maken in de zandkerntechniek. Deze techniek is daarmee gedurende 1500 jaar bijna onafgebroken toegepast om kleine parfumolie- en balsemflesjes te maken.

Men neemt aan dat in deze periode, naast de productiecentra in het Syrisch-Palestijnse kustgebied, ook centra bestonden op Rhodos en op Cyprus. Er zijn geen aanwijzingen voor glasproductie van enige betekenis in Mesopotamië, in deze periode. Daarentegen ontstaan nu weer centra in Egypte, met name in de pas gestichte stad Alexandrië.

Vooral vormgeperste kommen worden in deze tijd op zeer grote schaal geproduceerd. Glas is, hoewel het nog steeds een luxeproduct is, niet langer uitsluitend voorbehouden aan koningen en een aristocratische elite, het is bereikbaar geworden voor veel bredere lagen van de bevolking.

2.3 Vormgeperst glas

Bij deze techniek is gebruik gemaakt van een mal en een contra-mal. De glaskunstenaar vult de ruimte tussen beide mallen op met verpulverd glas en verhit de gesloten mallen vervolgens in een oven zodat het glas smelt en één geheel wordt. Omdat hierbij gemakkelijk luchtbelletjes in het glas worden opgesloten, drukt hij de mallen flink op elkaar, zodat alle lucht eruit wordt geperst.

2.3.1 Mozaïekglas

Wanneer de glaskunstenaar de ruimte tussen beide mallen niet gewoon opvult met verpulverd glas, maar op de bodem van de mal platte stukjes glas in patronen legt, spreekt men van mozaïekglas. De platte stukjes glas worden overigens gesneden van staafjes. Deze kunnen monochroom zijn, maar ook samengesteld uit een bundeltje verschillend gekleurde, aan elkaar gesmolten staafjes. Het glasstaafje ziet er dan in doorsnede uit als een gestileerd bloemetje en het vaatwerk dat op die manier ontstaat, noemt men 'duizendbloemen'glas, met de Italiaanse vakterm: millefioriglas.

2.3.2 Romeins vormgeperst glas

In de laatste eeuwen voor het begin van de jaartelling zijn de Romeinen bezig zich te ontwikkelen tot een supermacht. Griekenland en grote delen van het Nabije Oosten worden veroverd en rond het jaar 30 v.Chr. ook Egypte. Tegelijk met deze machtsontplooiing ontwikkelt de Romeinse elite een smaak voor de luxe producten die het Oosten te bieden heeft. Daartoe behoort ook het glaswerk. Reeds aan het begin van de 1ste eeuw v.Chr. zien Alexandrijnse glaskunstenaars er brood in zich te vestigen in Italië, in Campanië en later ook in Rome, om zo dicht bij hun nieuwe afzetgebied te zitten.

Wanneer de Romeinen hun veroveringen in het Oosten voltooid hebben, richten zij hun expansiedrang noordwestwaarts. Wederom volgen de - inmiddels Italische - glaskunstenaars het afzetgebied. Aan het begin van de 1ste eeuw na Chr. vestigen zij zich in Noord-Italië, waar zij nog steeds het geliefde vormgeperste glas maken, bontgekleurd vaatwerk, maar ook monochrome medaillons.

2.4 De ontdekking van het glasblazen

Deze ontdekking vond plaats rond het midden van de 1ste eeuw v.Chr. in het Syrisch-Palestijnse kustgebied, een gebied met een zeer lange traditie in het werken met glas. De oudst bekende vrijgeblazen flesjes zijn gevonden in Jerusalem. Ze zijn te dateren rond het midden van de 1ste eeuw v.Chr.

De betekenis van deze ontdekking voor de glaskunst is zeer groot. Allereerst wordt het productieproces aanzienlijk verkort. Het glas wordt dus goedkoper en het gebruik ervan veel algemener. De nieuwe techniek brengt bovendien een veelheid aan praktische, kunstzinnige en vooral dunwandige vormen voort. Hij verdringt binnen zeer korte tijd de oudere, tijdrovende en moeizame technieken.

Via de kanalen van het steeds groter wordende Romeinse Rijk verspreidt de nieuwe techniek zich razendsnel. Reeds in de 1ste eeuw na Chr. ontstaan de eerste ateliers, waar vrijgeblazen glas wordt geproduceerd, in Gallië en in het pas gestichte Keulen, dat de Romeinen Colonia Claudia Ara Agrippinensis hadden genoemd.

2.4.1 Vrijgeblazen glas

Vrijgeblazen glas wordt als volgt gemaakt. De glasblazer haalt een klompje gesmolten glas uit een smeltkroesdie in de oven staat met behulp van een holle ijzeren pijp, de blaaspijp. Hij blaast de klomp enigszins op, brengt hem in vorm door rondzwaaien en rondt hem af met behulp van een - goed natgehouden - houten lepel. De klomp wordt dan verder uitgeblazen en opnieuw bewerkt totdat de gewenste vorm is bereikt. Zo nodig kan het stuk steeds opnieuw verhit en gevormd worden. Als het stuk eenmaal de gewenste vorm heeft, wordt een ijzeren staaf, de pontil genaamd, aan de bodem van het stuk vastgezet met behulp van een klompje gesmolten glas. De glasblazer tikt het stuk vervolgens van de blaaspijp en werkt, terwijl het op de pontil vastzit, de rand bij, zet de oren en de standring aan. Ten slotte haalt hij het stuk van de pontil af en zet het in een oven waar het vuur net uit is, zodat het zeer geleidelijk kan afkoelen. Vaak zijn op de bodem van antiek glas nog resten zichtbaar van het glasklompje waarmee het aan de pontil heeft vastgezeten.

2.4.2 Vrijgeblazen glas in de 1ste eeuw na Chr.

In de 1ste eeuw na Chr. zijn er nog ateliers die vormgeperst glas vervaardigen. Maar al snel vindt men de voordelen van het vrijgeblazen glas zo groot dat hieraan de voorkeur wordt gegeven. Vrijgeblazen glas is veel goedkoper en heeft een veel grotere vormenschat. Naast eenvoudige vormen zoals het zakvormige parfumflesje, zien we fraai gevormde drinkbekers, amfoortjes en napjes. Kenmerkend voor het vroeg 1ste-eeuwse vrijgeblazen glas zijn de bonte kleuren, een laatste herinnering aan het laat-Hellenistische glas.

Ongeveer vanaf het midden van de 1ste eeuw na Chr. wordt naast serviesgoed en parfumflesjes ook huishoudglas geproduceerd: grote voorraadpotten en flessen groen of blauwachtig, de kleur die glas van nature heeft. Glas is nu een algemeen gebruiksartikel geworden dat vrijwel overal waar mensen hebben gewoond in de Romeinse tijd, wordt teruggevonden.

Maar naast de eenvoudige zakvormige parfumflesjes worden nog steeds zeer kunstzinnige gemaakt. Sommige zijn versierd met uitstekende ribben, die de glasblazer met een soort pincet uit de glaswand heeft getrokken toen die nog heet was. Andere zijn versierd met glasdraad dat ofwel in het oppervlak is gerold of in een spiraal om het flesje is gelegd. Weer andere doordat het stuk in een vorm is geblazen.

2.4.3 Vormgeblazen glas

Glas dat is geblazen met behulp van een vorm, kortweg vormgeblazen glas genoemd, komt voor vanaf het begin van de jaartelling. Het is gemaakt door het glasklompje in een vorm te blazen. De vorm is van aardewerk, hout of ijzer en bestaat uit een of meer delen.

Het procedé gaat als volgt. De vorm wordt opengeklapt, de glasblazer blaast er een hol klompje glas in, klapt de vorm dicht en blaast het klompje uit. Vervolgens klapt hij de vorm open, blaast hals en rand uit en werkt deze af zoals bij vrijgeblazen glas. Zo ontstaan flesjes met reliëf of in de vorm van vruchten of een menselijk hoofd. Niet alleen parfumflesjes maar ook serviesgoed, vooral drinkbekers worden soms vormgeblazen.

Een ééndelige, open vorm wordt gebruikt bij het maken van ronde of vierkante flessen. De glasblazer blaast een hol klompje glas in de open vorm, haalt het stuk uit de vorm, blaast schouder en hals uit en werkt deze af. Daarna zet hij het oor aan.

Een ééndelige vorm wordt ook gebruikt bij het 'optisch blazen'. De glasblazer blaast een hol klompje glas in een ééndelige vorm, die bijvoorbeeld is voorzien van holle ribben. Hij blaast het stuk uit en draait het een kwartslag om de eigen as. Hierdoor ontstaat het effect van ijle, gedraaide ribben.

2.4.4 Oost-west contacten vanaf de 1ste eeuw na Chr.

Veel glasblazers uit het Syrisch-Palestijnse gebied en uit Egypte vestigden zich in Gallië en in het Rijnland, zoals blijkt uit epigrafische bronnen en uit de vrijwel gelijktijdige introductie van bepaalde nieuwe technieken.

Vanaf de 2de eeuw na Chr. legde men zich in Egypte toe op het inslijpen van figuurlijke scenes op het glas. Het waren Egyptische glasslijpers die de techniek in het Rijnland invoerden, waar deze vooral in de 3de-4de eeuw na Chr. zeer populair werd.

Wederzijdse beïnvloeding blijkt ook uit andere decoratietechnieken. Zo zien we in de 4de eeuw in Egypte en Syrië schalen en bekers met opgebrachte noppen, meestal donkerblauw. Deze kwamen gelijktijdig ook in Italië en in het westen voor.

Tot in het begin van de 4de eeuw na Chr. bleef de geschetste eenheid tussen oost en west in de glasindustrie bestaan. Rond het midden van de 4de eeuw kwam hier verandering in, mogelijk als gevolg van de politieke splitsing tussen het Oost-Romeinse en het West-Romeinse Rijk. Vanaf dat moment ontwikkelde elk glascentrum een eigen stijl.

De Syrische ateliers gebruiken vanaf nu bijvoorbeeld bij voorkeur opgelegde glasdraden als versiering van hun glaswerk.

2.5 Geslepen glas

De versieringstechnieken die tot nu toe zijn besproken, hebben in elk geval één gemeenschappelijk kenmerk. Ze zijn alle toegepast terwijl het glas zich nog, in hete toestand, in het atelier van de glaskunstenaar bevond.

Het slijpen van glas gebeurt pas wanneer het is afgekoeld en het atelier heeft verlaten. De techniek is overgenomen van de edelsteenbewerkers en gemmensnijders.

De ingeslepen versiering bestaat aanvankelijk, in de 1ste eeuw na Chr. uit eenvoudige rondom lopende lijnen, die zijn aangebracht door een roterend wieltje tegen de wand van het glas te houden. Later worden ook kleine vlakjes of facetjes uit het glasoppervlak weggeslepen zodat allerlei patronen of zelfs figuurlijke voorstellingen ontstaan. Een zeer laat voorbeeld van deze techniek is het Sassanidische gefacetteerde glas.

Het glas met geslepen versiering heeft als kenmerk dat het altijd kleurloos is. Het is gemaakt van zeer zuiver kwartszand dat geen ijzerverbindingen bevat die zorgen voor de groen-blauwe tint of tijdens het fabricageproces is bruinsteen toegevoegd om het glas kunstmatig te ontkleuren.

3. De glascollectie van het Rijksmuseum van Oudheden.

Direct na de oprichting van het Rijksmuseum van Oudheden in 1818 werden enkele grote collecties aangekocht die Griekse, Romeinse maar vooral Egyptische oudheden bevatte. Dat zich hiertussen wel eens glas bevond was eerder toeval dan opzet. Zo zijn de oudste exemplaren, vijf stuks Egyptisch zandkernglas in het museum terechtgekomen.

Vanaf het einde van de 19de eeuw ging het museum zich bewust bezighouden met het aanleggen van een glascollectie. De meeste stukken werden aangekocht in de kunsthandel. De herkomst hiervan is meestal onbekend of de opgave twijfelachtig. De gebroeders van Lennep, consuls te Smyrna, bemiddelden bij de aankoop van glas uit de omgeving van die stad (zoals deze cosmeticaflesjes, dit goudbandglas en deze parfumflesjes).

Een andere belangrijke leverancier uit het einde van de 19de eeuw was de Franse archeoloog Jean Farahdie zelf opgravingen leidde in de buurt van het antieke Tyrus, in het huidige Libanon, dat destijds deel uitmaakte van het Syrisch-Palestijnse kustgebied. Jean Farah leverde onder andere dit met glasdraad versierde glas en dit glas met intaglio-versiering. Hij stuurde niet alleen zeer uitvoerige beschrijvingen en tekeningen van het glas, maar beschreef ook waar en onder welke omstandigheden hij het had gevonden. Helaas haalde hij de objecten uit hun context door ze van de andere vondsten uit het graf te scheiden waardoor toch veel relevante informatie verloren ging.

De glascollectie is niet alleen opgebouwd uit aankopen. Het museum heeft ook enkele belangrijke schenkingen ontvangen. In 1914 werd door bemiddeling van Victor de Stuers, voormalig Hoofd van het Kabinet van Kunsten en Wetenschappen binnen het Ministerie van Binnenlandse Zaken, een verzameling glas geschonken. De Stuers sprak in brieven vaak zijn ongenoegen uit over het gebrek aan initiatieven bij het doen van aankopen door de toenmalige directeur van het Rijksmuseum van Oudheden, maar hij was zich er wel van bewust dat de middelen daartoe zeer beperkt waren.

Tijdens de jaren dertig van de vorige eeuw werden twee omvangrijke privé-verzamelingen bij testament aan het museum geschonken: het legaat Van der Meulen en het legaat Gildemeester. P.A. Gildemeester, een Amsterdams koopman, had een enorme verzameling oudheden aangelegd. Glas maakte hiervan slechts een klein deel uit, maar het betreft wel zeer exquise exemplaren (onder andere medaillons, goudbandglas en een flesje van vormgeblazen glas). A. Tj. van der Meulen, een gepensioneerde leraar te Caïro, verzamelde vooral glas, in de eerste plaats kralen en andere sieraden. In het glazen vaatwerk boeiden hem vooral de verschillende technieken. Hij slaagde erin een collectie glazen vaatwerk op te bouwen waarin de meeste technieken vertegenwoordigd waren (onder andere deze parfumflesjes).

Ten slotte wordt de glascollectie gevormd door vondsten van eigen bodem, al dan niet gedaan bij archeologische opgravingen. Het betreft hier grafvondsten, maar ook weggegooide scherven, nederzettingsafval. Uiteraard lenen de gave grafgiften (zoals medaillons, vormgeblazen glas en glazen bekers) zich beter voor expositie dan de scherven.