Het werk van een restaurator

Een restaurator in dienst bij een museum is verantwoordelijk voor de conservering en restauratie van de collectie. Die collectie bestaat uit verschillende materialen, van keramiek en glas tot steen, hout, metaal en textiel. Restauratoren hebben meestal een specialisatie die is gericht op één van deze materiaalgroepen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen conservering en restauratie.

Als een object wordt geconserveerd, zorgt de restaurator of collectiebeheerder ervoor dat de conditie van het object stabiel blijft. Dat kan bijvoorbeeld door het goed te verpakken, of door het object in een geconditioneerd depot te plaatsen. Maar ook het oppervlakkig reinigen van een object is conservering, of het lijmen van een gebroken vaas, zodat de scherven bij elkaar blijven. Wanneer de ingreep uitgebreider is, bijvoorbeeld als de ontbrekende delen van de gelijmde vaas worden aangevuld en geretoucheerd (op kleur gebracht), spreekt men van restauratie. Een restaurator maakt altijd een restauratierapport, met foto's van voor, tijdens en na het restauratieproces.

Objecten uit de collectie van een museum zijn vaak gerestaureerd, in het verleden, of recent. Er zijn in verhouding maar weinig objecten in een archeologisch museum die niet ooit zijn behandeld. Restauratiematerialen zijn soms verouderd en verkleurd, en oude  lijmverbindingen zijn niet meer zo stevig. Dit is vaak een reden om een object opnieuw te restaureren. Niet alleen een museum heeft een restaurator in dienst. Ook bij archeologische opgravingen werken vaak restauratoren. Het opgegraven materiaal moet worden geconserveerd of gerestaureerd, zodat het bewaard blijft voor verder onderzoek. Soms komen de vondsten zelfs in een museumcollectie terecht.

Er is een verschil tussen restauratiewerk op een opgraving of in een museum. Als je als restaurator bij een opgraving werkt, restaureer je objecten die net zijn opgegraven. Het opgegraven materiaal bestaat voor een groot deel uit scherven (of fragmenten van potten). Alle scherven worden in het veld verzameld door de archeologen, die precies noteren waar ze werden gevonden. De archeologen houden alle scherven bij elkaar waarvan ze weten of denken dat ze bij één object horen. Die zakken met scherven gaan vervolgens naar de vondstverwerking, waar ze door archeologen worden gewassen, gesorteerd, getekend of gefotografeerd en genummerd. De nummers op de scherven geven bijvoorbeeld aan waar ze  precies werden gevonden en in welk jaar.

Pas daarna kan een restaurator aan de slag. Die is verantwoordelijk voor de basisconservering in het veld, maar geeft  bijvoorbeeld ook advies over het juiste verpakkingsmateriaal. Bij elkaar horende scherven kunnen worden gerestaureerd tot een compleet object. Vaak gebeurt dit alleen als er een compleet profiel van een pot bewaard is gebleven, dus bijvoorbeeld een deel van de rand, de buik en de voet van een vaas. Met behulp van deze scherven kan een complete vaas worden gereconstrueerd.

Het is soms lastig om uit te zoeken welke scherven bij elkaar horen. De restaurator kijkt onder andere naar de dikte van de scherf, de kromming, de vorm van de breukvlakken, eventuele verkleuringen of decoratie op het oppervlak, en naar eventuele draailijnen (die ontstaan wanneer een vaas op een draaischijf is gemaakt).  Zo kan je uitzoeken wat bij elkaar hoort, het is eigenlijk net een 3D-puzzel. Verder maakt een restaurator altijd een restauratierapport, met foto's van voor, tijdens en na het restauratieproces.