Frederik graaf De Thoms (1696-1746)

Frederik graaf De Thoms (Stedelijk Museum De Lakenhal, Leiden)
RMOMarmeren uil uit de collectie van De Thoms, Romeinse keizertijd, h. 76 cm

De Duitse verzamelaar Frederik graaf De Thoms heeft tijdens zijn leven een aanzienlijke collectie oudheden verworven. Een aantal voorwerpen uit zijn verzameling is in het Rijksmuseum van Oudheden terecht gekomen.

Frederik Thom werd geboren in 1696 in de stad Giessen in Hessen als zoon van een Duitse herbergier. Hij ging studeren aan de universiteit van Giessen, waar hij niet alleen colleges volgde in politiek en staatsrecht, maar ook in geschiedenis. Toen hij 16 jaar was, promoveerde hij al op een juridisch onderwerp. Een paar jaar later schreef hij een biografie van de net overleden koning Lodewijk XIV. De jongeman had grootse ambities, maar zijn vrij eenvoudige afkomst zat hem daarbij in de weg. Daarom bedacht hij een adellijke grootvader, een Fransman met de naam De Thomas. Deze zou naar Duitsland zijn verhuisd en zich daar uit afkeer van zijn voorouders bescheiden Thom zijn gaan noemen. In werkelijkheid was zijn grootvader een simpele kleermaker uit Hessen, maar dat was in Frederiks ogen niet belangrijk.

Frederik legde contacten in diplomatieke kringen en maakte reizen naar Wenen, Boedapest, Regensburg en Londen. In Londen wist hij het tot secretaris van koning George I te brengen. Ondertussen vergaarde hij door speculaties en gokken een behoorlijk kapitaal. Hij werd een rijk man met veel vrienden en daardoor veel invloed. In 1725 werd hij agent voor het Duitse hertogdom Brunswijk in Londen. In hetzelfde jaar werd hij in de adelstand verheven en vanaf die tijd noemde hij zich De Thoms.

In de jaren dertig van de 18e eeuw reisde hij veel rond in Italië. Hij vestigde zich in Napels, waar hij aan het hof kwam van Karel VII, de koning van Napels. Deze benoemde hem tot hofmaarschalk. In 1737 verhief de koning De Thoms tot graaf. In Italië kreeg De Thoms een nieuwe hobby: het verzamelen van oudheden. Iedere zichzelf respecterende heer van stand bezat in die tijd een verzameling oudheden. Bijvoorbeeld in Herculaneum en Stabiae, Romeinse steden die in 79 na Chr. door de uitbarsting van de vulkaan Vesuvius waren verwoest, werden toentertijd grote hoeveelheden antieke voorwerpen opgegraven. De Thoms was lid geworden van de Etruskische Academie. Hij wist een aanzienlijke verzameling antieke munten, gesneden stenen en andere oudheden te verwerven. In deze collectie bevond zich ook een aantal bronzen en marmeren beelden.

Na zijn jaren in Italië ging De Thoms in Leiden wonen. Daar trouwde hij in 1741 met Johanna Maria Boerhaave, de dochter van de wereldberoemde medicus Boerhaave, die drie jaar daarvoor was overleden. Het echtpaar De Thoms kreeg twee dochters. Van haar vader had Johanna een huis geërfd aan het Rapenburg en bovendien het kasteel Oud-Poelgeest in Oegstgeest. De verzameling antieke oudheden van De Thoms werd verdeeld over de beide huizen. Omdat hij zijn collectie wilde publiceren, liet hij van een aantal voorwerpen gravures maken. Deze catalogus is echter nooit af gekomen, doordat hij in 1746 op 50-jarige leeftijd stierf aan een beroerte.

Na zijn dood werd zijn verzameling verkocht aan stadhouder prins Willem IV. De oudheden bleven in de familie Van Oranje tot 1795, toen Nederland werd veroverd door de Fransen en een groot deel van de oudheden werd overgebracht naar Parijs. Na de val van Napoleon is in 1815 veel weer teruggekomen naar Nederland, maar niet alles. De munten en gesneden stenen kwamen terecht in het Koninklijk Munt- en Penningkabinet in Den Haag en enkele andere voorwerpen zijn via het Rijksmuseum in Amsterdam in het Rijksmuseum van Oudheden beland. Het betreft een Romeinse uil van marmer, een marmeren reliëf met Asklepios en Hygieia erop, en de zogenaamde "Stadhoudersvaas", een grote antieke amfoor.