De Klassieke beeldencollectie

De kern van collectie van het Rijksmuseum voor Oudheden is een erfenis van de 18de-eeuwse Amsterdamse bestuurder Gerard van Papenbroek. De collectie werd in 1745 in de botanische tuin van de Leidse universiteit geplaatst. De nieuwe leerstoel archeologie die in 1818 in Leiden werd gesticht, en die door Caspar Reuvens als eerste werd vervuld, zorgde voor snelle uitbreiding. Reuvens maakte daarvoor studiereizen naar onder meer Engeland. Een nieuw museum werd in 1821 betrokken aan de Houtstraat. De collectie groeide snel door de inzet van speciale agenten die antiquiteiten in het Middellandse-Zeegebied voor het museum opkochten. Daardoor werd de nog nieuwe museumruimte al snel te klein. In 1837 werd daarom verhuisd naar de Breestraat. Voor en rond de Eerste Wereldoorlog werd de huidige locatie aan het Rapenburg vrijgemaakt en voor de archeologische collectie bestemd. Zoveel mogelijk antieke sculptuur werd daarin tentoongesteld, niet alleen de mooie stukken. De latere museumconservatoren Leemans en Bastet verfijnden de opstelling van de antieke sculptuur ingrijpend.

1.1 Het legaat Papenbroek

De kern van de verzameling Griekse en Romeinse sculptuur in het Rijksmuseum van Oudheden wordt gevormd door een legaat van circa 150 beelden en reliëfs, dat in 1744 werd vermaakt aan de Universiteit van Leiden. De vermogende Amsterdamse president-schepen Gerard van Papenbroek was degene die deze genereuze schenking had gedaan. Hij bezat behalve antieke sculptuur ook een indrukwekkende verzameling schilderijen en prenten. Zijn collectie, opgesteld in het (thans niet meer bestaande) landhuis de Papenburg onder Velsen, was door hem bijeengebracht door aankopen uit verschillende andere verzamelingen. Enkele stukken waren afkomstig uit het bezit van de Vlaamse schilder-diplomaat Peter Paul Rubens.

De curatoren van de Leidse universiteit besloten het legaat op te stellen in de net ontworpen oranjerie van de Hortus Botanicus. De oorspronkelijke plannen van de stadsarchitect werden vervangen door die van de invloedrijke Daniël Marot, die in 1745 het nieuwe gebouw opleverde. In de centrale hal werd het Legatum Papenbroekianum opgesteld, in een strak symmetrische, classicistische ordening van de sculpturen, zoals te zien valt op tekeningen uit die tijd. Het eerste openbare museum van klassieke kunst in Nederland was hiermee een feit.

1.2 Oprichting van het Rijksmuseum van Oudheden

De oudheden van Papenbroek hebben ruim een halve eeuw in deze omgeving gestaan. In 1818 kwam er een plotselinge verandering in hun status. Bij Koninklijk Besluit werd in dat jaar het Athenaeum te Harderwijk opgeheven. De zes hoogleraren die in dit havenstadje aan de Zuiderzee doceerden, werden ofwel vervroegd gepensioneerd, ofwel herplaatst aan een van de overige universiteiten. Voor de 25-jarige classicus C.J.C.Reuvenswerd een nieuwe leerstoel gecreëerd aan de Leidse Hogeschool: hij werd door Koning Willem I benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de Archaeologie, of de kennis der oudheid, opgehelderd uit de overgeblevene gedenkstukken. De keuze voor het instellen van deze leerstoel aan de Leidse universiteit was het gevolg van de aanwezigheid van Papenbroeks sculpturen.

Reuvens stelde zich echter geen toekomst voor als beheerder van een in zijn ogen zeer middelmatige collectie in een onderkomen dat nauwelijks als museumgebouw betiteld kon worden. Hem stond een groot nationaal museum van oudheden voor ogen, dat kon concurreren met de musea van Parijs, Londen en Berlijn. Hij stelde een ambitieus verzamelplan op, wist het ministerie van onderwijs enthousiast te krijgen en ging al snel op zoek naar een nieuw onderkomen voor de collectie.

Om ideeën op te doen over de meest ideale opstelling van antieke sculpturen, bestudeerde Reuvens allereerst de grote musea van zijn tijd. Tijdens een studiereis door Engeland noteerde hij gedetailleerd alles wat hem opviel over de wijze van exposeren. In het Brits Museum noteerde hij bijvoorbeeld:

Kleuren:
A. De grond in Mus.Brit., collectie Townly, is vaalgroen, met zwart en wit geschilderd.
B. Zaal XIV en XV van Elgin, blaauw.
C. Hamilton ligt roozenrood met veele wit marmoren bases.
D. Collecties van Hope is geel.

Hij concludeerde dat de kleuren in de Hamilton-zaal de voorkeur genoten, het fraaist, vrolykst en tevens het best voor uitwerking der beelden. De Elgin en de Hope-zalen vond hij beide slecht, doch D het ergste. A is stil. De lichtval was het mooist in de zaal met de Elgin Marbles, uitmuntend licht, doch de zaal is ongemeen hoog.

Na Londen bezocht hij de universitaire collecties in Cambridge en Oxford. In Cambridge was hij zeer tevreden over de opstelling van sculptuur in nissen, die hem herinnerde aan de oorspronkelijke context van de antieke sculptuur, hoewel hij meteen een praktisch probleem zag: zeer goede uitwerking, maar die nissen nemen veel plaats. Over de presentatie van de reliëfs en beelden in Oxford was hij totaal niet te spreken:

Alles of ingemetseld, of neergezet, zooals men best plaats vond. De muur is ruw gelaten, zelfs niet gepleisterd. En het staat allerellendigst.

Het is duidelijk dat hier een echte museumman aan het werk was, die over alle aspecten van een nieuw gebouw nadacht, tot en met de luchtverversing: vensterramen naar beneden openschuiven, zoodat de lucht van boven inkomt.

Reuvens' plannen tot een nieuwe huisvesting van het archaeologisch kabinet werden in 1821 gerealiseerd. Door de universiteit werd een aantal huizen aan de Houtstraat aangekocht en vervangen door een nieuw gebouw, waarvan aan Reuvens de benedenverdieping werd toegewezen. Op de bovenverdieping werd het prentenkabinet gehuisvest. De inrichting van de sculpturen valt af te leiden uit enkele schetsen van Reuvens. In vier kleine, vierkante zalen plaatste hij Egyptische en oosterse oudheden, Romeinse askistjes, munten en inscripties en Griekse grafmonumenten en altaren. In de twee grote, langwerpige zalen vond hij plaats voor de verzameling gipsafgietsels (waaronder de Elgin Marbles, die hij in Londen gekocht had) en de sculptuur uit de collectie Papenbroek. Reuvens verliet de ouderwetse symmetrische ordening van stukken en streefde naar een opstelling, die ingedeeld werd naar categorieën.

1.3 Uitbreiding van de collectie

De ruimte aan de Houtstraat werd al snel veel te klein. In 1820 maakte Reuvens kennis met twee gepensioneerde militairen, die, elk na een jarenlang verblijf buiten Nederland, terugkeerden met een collectie oudheden. Kolonel B.E.A. Rottiers (1771-1858) was, na een dienstverband in de legers van de Russische tsaar, langs de kusten van de Zwarte Zee, Turkije, Griekenland en Italië teruggereisd naar Nederland. In Turkije en Griekenland verzamelde hij oudheden. Hij ondernam zelfs opgravingen in de omgeving van Athene. De bijzondere kwaliteit van de Attische sculptuur uit Rottiers' verzameling, voornamelijk grafreliëfs uit de klassieke periode, deed Reuvens direct de pen grijpen om het ministerie te bewegen deze 'eerste verzameling Rottiers' aan te kopen. Na goedkeuring door het ministerie van onderwijs en een Koninklijk Besluit van Willem I, werden de marmeren beelden vanuit Antwerpen overgebracht naar Leiden en geplaatst in het nieuwe museum aan de Houtstraat. Rottiers bood aan om in dienst van het Rijk nog meer bijzondere stukken voor het museum te verwerven. Van 1824 tot 1826 zeilde hij op een Nederlands oorlogsschip door de Egeïsche Zee en deed, waar hij kon, aankopen. Ook groef hij opnieuw naar oudheden, nu op het eilandje Milos. Tijdens deze reis deed hij enkele bijzondere aanwinsten, bijvoorbeeld het priesterportret uit Milos.

De tweede militair die in contact kwam met Reuvens was de majoor J.E. Humbert (1771-1839). Deze had jarenlang als militair ingenieur gewerkt in Tunesië, waar hij havens en forten ontworpen had voor de Bey van Tunis. Zijn belangstelling ging echter ook uit naar de archeologie, met name naar de topografie van de oude Punische stad Carthago. Als eerste onderzoeker vervaardigde hij een gedetailleerde plattegrond van Carthago en liet opgravingen uitvoeren, waarbij hij zo gelukkig was vier Punische inscripties te vinden. Reuvens was zeer onder de indruk van deze unieke objecten en wist het ministerie opnieuw te overtuigen tot aankoop over te gaan. Ook Humbert werd door Reuvens ingeschakeld om de jonge wetenschap der archeologie te dienen. Van 1822 tot 1824 maakte hij een studiereis naar Tunesië, waar hij opgravingen deed bij Carthago en oudheden aankocht. Zijn belangrijkste aanwinst bestond uit negen monumentale beelden, die afkomstig waren uit de oude havenstad Utica. De standbeelden van Trajanus en Jupiter behoren tot deze groep.

Humbert maakte een tweede reis in de jaren 1826-1830, ditmaal naar Italië. Hier kocht hij zó omvangrijke collecties Etruskische en Egyptische oudheden aan, dat het karakter van het museum ingrijpend werd veranderd. Van een bescheiden collectie klassieke sculptuur en kleinkunst was het binnen tien jaar uitgegroeid tot één van de belangrijkste musea op Egyptologisch gebied. Reuvens zag het gevaar in dat de hoeveelheid en kwaliteit van het Egyptisch materiaal de lacunes in de overige afdelingen van het museum des te duidelijker naar voren zouden brengen. Hij ijverde er dan ook voor bij het ministerie om Humbert in Italië nog tenminste twee collecties aan te laten kopen: klassieke sculptuur in Venetië en Griekse keramiek in Napels. De overheid weigerde echter verder fondsen ter beschikking te stellen, met als reden dat er na de grote aankopen genoeg was besteed aan de archeologie.

Een ander probleem voor Reuvens betrof de huisvesting. Een groot gedeelte van Humberts oudheden moest in houten keten in de Hortus worden opgeslagen, blootgesteld aan lekkages en temperatuurswisselingen. In overleg met curatoren van de universiteit en het ministerie van onderwijs probeerde Reuvens tot een oplossing van de ruimtenood te komen. In Leiden werd de bouw van een nieuw museum overwogen op de ruïne, het terrein dat bij de ontploffing van het kruitschip in 1807 het zwaarst was getroffen. Ontwerptekeningen van dit gebouw zijn bewaard gebleven en tonen duidelijke overeenkomsten met de architectuur van het Brits Museum in Londen, dat Reuvens zo goed kende. Van nieuwbouw werd tenslotte door curatoren afgezien, zodat men opnieuw op zoek ging naar locaties binnen en buiten de stad. Na onderzoek naar de mogelijkheden in Den Haag en Brussel besloot Reuvens dat de meest geëigende plaats voor een Nationaal Museum de hoofdstad van het land was. Er waren vergevorderde plannen voor verhuizing naar Amsterdam, maar door de voortijdige dood van Reuvens in 1835 werd dit project niet verwezenlijkt.

1.4 Verhuizingen en nieuwe inrichting

In 1837 volgde onder Reuvens' opvolger Conrad Leemans uiteindelijk de verplaatsing van de archeologische collectie naar het monumentale pand Breestraat 18. Het gebouw aan de Houtstraat werd geannexeerd door het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, dat al huisde in de aanpalende gebouwen aan het Rapenburg. Niet iedereen was gelukkig met de verhuizing naar het donkere woonhuis aan de Breestraat. De inmiddels tot luitenant-kolonel bevorderde Humbert schreef aan een kennis in Leiden:

'Het is dus besloten dat het huis van mevrouw van den Berg onderdak gaat bieden aan alles wat Egypte, Indië, Griekenland, Carthago en Rome na alle talrijke reizen ons hebben gegeven? Wie had ooit kunnen zeggen tegen een Egyptische prinses, tegen Griekse en Romeinse burgers, dat haar mummie en hun schedels na zoveel jaren door jonge professortjes zouden worden opgesteld in een Hollandse voorkamer? Het lijkt erop dat in Leiden de Natuurlijke Historie het beste onderkomen zal krijgen: de beesten hebben de standbeelden verjaagd; de apen en de beren zijn beter ondergebracht dan de Apollo van Belvedere, waarvan het prachtige afgietsel op een soort zolder staat. Nog erger is het om crematieurnen in een oude eetkamer te moeten zien.

De Egyptische en Grieks-Romeinse sculpturen vonden een plaats op de begane grond, gezien het grote gewicht van deze stukken. Erg gelukkig was de opstelling niet.

Ruimtenood bleef ook directeur Leemans achtervolgen. De zalen aan de Breestraat stonden overvol, zodat in 1858 een houten bovenverdieping aan het pand moest worden toegevoegd en enkele jaren later belendende percelen dienden te worden aangekocht om de nood te lenigen. Inmiddels groeiden de collecties door. In de tweede helft van de 19de eeuw ontving het museum een indrukwekkende collectie Oostgriekse sculptuur, aangekocht door bemiddeling van de Nederlandse consuls Van Lennep in Smyrna, het huidige Izmir in West-Turkije (bijvoorbeeld de reliëfs van Diodotos en Charite).

In de jaren voor de Eerste Wereldoorlog werd een begin gemaakt met de verhuizing van het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie naar een nieuw gebouw aan de Raamsteeg. De vrijgekomen ruimte aan het Rapenburg, de Houtstraat en de Papengracht werd bestemd voor de archeologische verzamelingen, die aldus opnieuw in dit complex een plaats vonden.

Rond 1920 werd door directeur J.H. Holwerda een begin gemaakt met de opstelling van de klassieke sculptuur in een van de benedenzalen, grenzend aan de binnenplaats. Om deze pijpenla aantrekkelijker te maken, werd de zaal in een aantal kabinetten verdeeld, waarin de stukken vrij willekeurig naar categorieën gerangschikt werden getoond. Aan het einde van de zaal bevond zich een studiekabinet (afgesloten met een gordijn) waarin onder andere de Punische en Etruskische stukken een plaats vonden. Holwerda koos ervoor zoveel mogelijk materiaal op te stellen, zodat de bezoeker kennis kon nemen van alle soorten en kwaliteiten antieke sculptuur. Niet uitsluitend de esthetisch aantrekkelijke stukken werden getoond. Deze opstelling leverde hem een conflict op met de Rijkscommissie voor het Museumwezen, die in 1921 voorstelde de Nederlandse bodemvondsten in Leiden te laten opgaan in een Nederlands Historisch Museum en de belangrijkste antieke kunstvoorwerpen te plaatsen in een Algemeen Kunstmuseum. Dit advies is nooit door de regering overgenomen, maar om de critici tegemoet te komen heeft Holwerda wel een apart kunstkabinet ingericht met de belangrijkste klassieke oudheden bij elkaar. In de aan de overzijde van de binnenplaats gelegen zaal werd door Holwerda de gipscollectie opgesteld, die slechts voor studiedoeleinden te bezichtigen was.

Na de Tweede Wereldoorlog werd de sculptuurzaal opnieuw ingericht, nu door de adjunct-directeur W.C. Braat. De zaal werd ruimer gemaakt door het verwijderen van de kabinetten en het schilderen van de wanden en het plafond. Het aantal tentoongestelde stukken werd teruggebracht. In de as van de zaal werden sculpturen geplaatst die bedoeld waren om vrij te staan, zoals altaren en puteals (gebeeldhouwde putranden). Ook werden enkele legvitrines ingericht om kleine voorwerpen veilig te kunnen tonen. Deze opstelling heeft, met enkele wijzigingen, tot in de jaren zeventig bestaan.

De overkapping van de binnenplaats van het museum, samenhangend met de plaatsing van de Egyptische tempel van Taffeh, was aanleiding om ook de aangrenzende zalen een nieuwe inrichting te gunnen. De Grieks-Romeinse sculpturen werden in 1979 opnieuw opgesteld, volgens de inrichtingsplannen van F.L. Bastet, conservator van de klassieke afdeling. Het probleem van de pijpenla werd opnieuw ondervangen, niet door een strakke indeling in kabinetten, maar door de ruimte met verschillende dwarswanden te verdelen en het looppad daardoor te laten variëren. Verschillende kleuren benadrukten de cultuurperioden en zorgden voor afwisseling in de zaal. De indeling is grotendeels volgens chronologische principes gerangschikt, behalve waar dit door de omvang van de objecten moeilijker te realiseren was. Bij de opstelling valt het op dat de symmetrie overheerst, met name bij de presentatie van de Romeinse sculptuur en de Oostgriekse grafreliëfs, waardoor - bewust of onbewust -in deze presentatie een band is gecreëerd met de oudste opstelling van de sculpturen in de oranjerie van de Leidse Hortus Botanicus.