Bernard Eugène Antoine Rottiers (1771-1857)

RMOBernard Eugène Antoine Rottiers
RMOMozaïek met Bacchusbuste, Melos (Griekenland), 3de eeuw n.Chr., 89,5 x 69 cm
RMODe kolossos van Rhodos: reconstructie van Rottiers, getekend door Witdoeck.

Kolonel B.E.A. Rottiers begon na zijn militaire carrière met het verzamelen van oudheden in het Middellandse Zeegebied. Na terugkomst in Nederland verkocht hij zijn collectie aan het Rijksmuseum van Oudheden, wat leidde tot een langdurige samenwerking tussen Rottiers en het museum. Het museum is in het bezit van verschillende collecties die door Rottiers zijn verzameld.

Bernard Eugène Antoine Rottiers was een avontuurlijke, ondernemende man. Hij werd geboren in 1771 in Antwerpen. Eenmaal volwassen geworden nam hij dienst in het leger. Hij diende zowel in het Oostenrijkse als in het Nederlandse leger. Nadat Nederland was ingenomen door de Fransen en hij een tijd gevangen had gezeten in Parijs, nam hij dienst in het Russische leger in Zuid-Rusland. Daar nam hij deel aan militaire campagnes tegen de Perzen en de Turken. In 1818 trok hij zich terug uit het leger en reisde hij via Turkije, Griekenland, Italië, Frankrijk en Engeland terug naar Nederland.

In Rusland was Rottiers begonnen met het verzamelen van oudheden en in Turkije en Griekenland had hij de gelegenheid om zijn collectie flink uit te breiden. Hij had in Rusland meer dan genoeg geld verdiend om oudheden aan te kunnen kopen. In Athene maakt hij kennis met enkele diplomaten die zich ook bezighielden met het verzamelen en verhandelen van oudheden, namelijk de Oostenrijkse vice-consul Georg Gropius, de Franse vice-consul Louis Fauvel en de Nederlandse consul C. Origone met zijn kanselier Paul Giuracich. Samen met hen begon hij in de buurt van Athene met opgravingen. Rottiers vond zelf niet veel, maar zijn metgezellen wel en hij kocht een aantal voorwerpen van hen.

Terug in Nederland bood kolonel Rottiers zijn verzameling te koop aan aan de Nederlandse regering. De eerste directeur van het Rijksmuseum van Oudheden, professor C.J.C. Reuvens, kreeg het verzoek om de verzameling te gaan bekijken en de waarde ervan te bepalen. De collectie bestond uit vijf Griekse grafreliëfs, twee marmeren grafvazen, fragmenten van beelden, aardewerk, terracotta beeldjes, bronzen objecten en enkele Egyptische oudheden. Eén van de belangrijkste stukken is het grafreliëf van een jonge man met een duif. Men werd het eens over de prijs en de regering kocht de verzameling aan voor het Rijksmuseum van Oudheden. Deze aankoop was de eerste uitbreiding van de collectie van het museum en Reuvens was heel blij met de nieuw verworven objecten.

De tweede collectie

Iets meer dan een jaar later, in 1822, bood kolonel Rottiers wederom een verzameling oudheden te koop aan. Deze waren verworven door zijn zoon, Jean Rottiers, die een reis had gemaakt naar de Zwarte Zee. Onderweg stopte het schip in Piraeus, de haven Athene, waar op dat moment net de Griekse onafhankelijkheidsoorlog tegen de Turken was uitgebroken. Het schip waarop zoon Rottiers zich bevond, hielp mee om vluchtelingen in veiligheid te brengen. Daaronder bevonden zich ook de eerder genoemde diplomaten Fauvel, Origone en Giuracich. Deze laatste verkocht 200 oudheden aan Jean Rottiers.

Het belangrijkste stuk dat aan Reuvens werd aangeboden, was een Griekse bronzen buste van een vrouw, die afkomstig zou zijn van het Griekse eiland Egina. Vooral over dit laatste object was Reuvens erg enthousiast en de collectie werd aangekocht. Helaas is later gebleken dat de informatie van vader Rottiers op veel punten helemaal niet klopte. Hij had het beeld zelf toegevoegd om de waarde van de collectie op te drijven. De buste zou gevonden zijn in Pompeji. We weten nu echter dat zelfs dat niet klopt, maar dat het een modern afgietsel is van een Romeins beeld van marmer. Kolonel Rottiers was dus niet altijd even betrouwbaar. Hij gaf zelf toe dat hij zo nu en dan valse oudheden verkocht aan mensen die voor kenners doorgingen.

Expeditie naar het Middellandse Zeegebied

In 1824 vatte kolonel Rottiers het plan op om een expeditie te ondernemen naar het oostelijke deel van het Middellandse Zeegebied om daar oudheden te verzamelen. Hij legde zijn plan voor aan de Nederlandse regering, die hem het geld ervoor verschafte en de toezegging dat hij gebruik kon maken van schepen van de Nederlandse vloot voor zijn vervoer. Pas toen alles al geregeld was, werd Reuvens op de hoogte gebracht. Hij had zo zijn twijfels over de hele onderneming, maar hij kon weinig beginnen. Hij stelde een lijst op met instructies voor Rottiers: er moesten veel goede tekeningen gemaakt worden van oudheden en antieke gebouwen en er moest precies worden opgeschreven wat waar opgegraven was. Reuvens stelde er veel belang in om goede informatie over vondstomstandigheden van de voorwerpen te krijgen.

Vergezeld van zijn jongste zoon Victor en de tekenaar Petrus-Joseph Witdoeck vertrok Rottiers naar Griekenland. De reis verliep echter heel langzaam en Rottiers klaagde over de vele tegenslagen. In de zomer van 1825 voerde hij een kleine opgraving uit op het Griekse eiland Melos, op de plek waar eerder het beroemde beeld van de Venus van Milo was gevonden. Hij vond hierbij onder andere een rond altaar van marmer en een complete mozaïekvloer, waarvan hij enkele delen meenam. Rottiers kocht ook een marmeren priesterkop die daar in de buurt was gevonden. In een persbericht beweerde hij trots dat het mozaïek dat hij had gevonden, van zeer hoge ouderdom was (7de eeuw v.Chr.) en zeer bijzonder. Dit was echter pure fantasie van de kolonel, aangezien het mozaïek in werkelijkheid van vele eeuwen later dateerde (waarschijnlijk 3de eeuw na Chr.) en helemaal niet zo bijzonder mooi van kwaliteit was. Reuvens ergerde zich zeer aan het gedrag van de kolonel.

In 1826 kwam Rottiers aan op het eiland Rhodos, waar hij vijf maanden doorbracht met het onderzoeken van de middeleeuwse monumenten van de stad, die hij uitgebreid liet tekenen door Witdoeck. Later bracht hij een publicatie uit over Rhodos met de tekeningen van Witdoeck. Reuvens was echter niet erg tevreden met de resultaten van de reis. Hij was het helemaal niet eens met de manier waarop Rottiers de zaken had aangepakt. Het contact tussen de twee heren was blijvend verstoord. Toch bleef Rottiers zo nu en dan oudheden aanleveren voor het museum. In 1857 stierf hij op 86-jarige leeftijd in Brussel.