Thema 6: de macht van de farao

De farao, de koning, was de onbetwiste heerser over het oude Egypte, al is het niet duidelijk of hij door de hele geschiedenis heen altijd de absolute macht bezat. Er waren ook ruzies over zijn opvolging en strijd om de troon. Voor het volk was de koning de incarnatie van de god Horus en de zoon van de zonnegod Ra. Zijn onderdanen geloofden dat hij de goden gunstig stemde door offers te brengen in de tempels. De goden zouden dan de kosmos in stand houden en het land beschermen. Zo werd de koning indirect ook verantwoordelijk gehouden voor de jaarlijkse overstromingen van de Nijl en het vruchtbare rivierslib dat op de akkers werd afgezet waardoor de landbouw kon floreren.


Haremcomplot

De farao was ook kwetsbaar. Oorlogen, verraad en samenzweringen lagen voortdurend op de loer. Een roemrucht complot tegen de koning was de zogeheten haremsamenzwering, ten tijde van Ramses III, die regeerde van 1194 tot 1163 v. Chr. De tweede vrouw van de koning wilde dat Ramses het veld zou ruimen om plaats te maken voor haar zoon. Tal van hoogwaardigheidsbekleders binnen en buiten de paleismuren waren bij de couppoging betrokken. Hun opzet mislukte, en velen van hen kregen de doodstraf, de koningin en haar zoon incluis.

Doorgesneden keel

Over het lot van koning Ramses III lopen de lezingen uiteen. Uit een tekst van een papyrus kan worden afgeleid dat hij werd vermoord nog voordat het vonnis werd uitgesproken. Maar evengoed is het mogelijk dat hij toen nog leefde en de rechtbank van instructies voorzag. Uit onderzoek van zijn mummie bleek in ieder geval dat zijn keel met een mes of een ander scherp voorwerp was doorgesneden. De luchtpijp was tot in het bot doorboord. 

Het grote huis

Farao betekent 'het grote huis' (of het paleis). Daarmee wordt verwezen naar de persoon die in dat grote huis woont – zoals wij het hebben over het Witte Huis als we de Amerikaanse president bedoelen. De titel 'farao' kwam pas laat in zwang. De gangbare aanduiding was 'koning van Boven- en Beneden-Egypte'. Pas in de Koptische periode (vanaf de vierde eeuw n. Chr.) werd dat 'farao'. Daarom spreken egyptologen liever van koning dan van farao. 

Macht en bestuur

De koning kwam aan de macht door erfopvolging. Hij werd farao omdat zijn vader het was. Het volk had niets te zeggen. Niet alle koningen waren even machtig. In sommige gevallen werd belangrijke beslissingen door hoge ambtenaren genomen, zeker als de koning nog jong en onervaren was. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij Toetanchamon, die pas acht jaar oud was toen hij de troon besteeg. Voor elk van de drie onderdelen van het dagelijks bestuur - de administratie, het leger en de priesterklasse – stelde de farao een hoge ambtenaar aan. Die mogelijkheid had hij niet altijd. Soms werd een ambt geërfd en had de koning onvoldoende macht om daarin verandering te brengen. 

Wettenmaker en rechter

De koning was de enige die wetten mocht maken of wijzigen. Als rechter vonniste hij soms ook zelf als het om belangrijke zaken ging. In gevallen van hoogverraad strafte hij soms niet alleen de schuldige, maar ook diens familie. Vaak werd dat de doodstraf, door spietsen aan een staak, rituele slachting met een vuurstenen mes of stenen knots, verdrinking, verbranding of gedwongen zelfmoord.

Festivals

Bij de dagelijkse religieuze rituelen moest de farao elke ochtend alle goden in hun tempels wekken, reinigen, kleden en voeden. In de praktijk werd dit meestal door de hogepriesters gedaan en was de farao daar zelden bij betrokken. Wel woonde hij festivals bij die ter ere van de belangrijkste goden werden georganiseerd, zoals het jaarlijks terugkerende Opet-festival, een processie tussen de Amontempels van Kamak en Loeksor, die verbonden was met de ka, de levenskracht, energie en identiteit van de farao. Op het zogenoemde Sed-festival liet hij zien dat hij nog steeds geschikt was om te regeren en vernieuwde hij zijn kracht.

Communicatie met de goden

Behalve het bezoeken van festivals en feesten moest de koning ook de huizen voor de goden bouwen en onderhouden. Voor de realisering van een tempel moest hij bepaalde rituelen verrichten. De wensen en beslissingen van de goden bereikten de koning in een goddelijke droom, zoals onder andere blijkt uit beschrijvingen van de farao’s Hatsjepoet, Thoetmoses IV en Merenptah. De communicatie met de goden verliep ook via een orakel of een biayt, een goddelijk wonderteken. Dat laatste zou Thoetmoses III hebben ervaren toen hij tijdens een veldtocht een komeet in het oog kreeg en daar een bepaalde betekenis aan gaf. 

Voorname afkomst

Om zijn macht te legitimeren verwees de koning zoveel mogelijk naar zijn voorname afkomst aan de hand van zijn voorgangers. Hoe verder terug in de tijd, hoe beter. Het liefst tot aan de goden en het ontstaan van de wereld. Sommige farao’s lieten daarvoor koningslijsten maken die op tempelwanden werden aangebracht of op papyrus werden geschreven. De bekendste lijsten zijn die van Abydos, Sakkara en de Papyrus Turijn.

De voorwerpenLees meer over de voorwerpen bij dit thema