Thema 4: godsdienst en goden

Het christendom, het jodendom en de  islam hebben één god. De oude Egyptenaren hadden er vele. Elke god vertegenwoordigde een natuurlijke of bovennatuurlijke kracht, of een wetmatigheid. Maar de Egyptische godenwereld was niet eenduidig. In de loop van vierduizend jaar Egyptische  geschiedenis zien we de betekenis en soms ook de namen van goden veranderen.


Kosmos centraal

In de godenwereld van de Egyptenaren stond de kosmos centraal. Alles was daarvan afgeleid. De Egyptenaren geloofden in een mystieke band die de mens met de kosmos onderhield, te beginnen bij de schepping. In hun verhalen leidde de schepping na de oerchaos tot een volmaakte kosmische orde. Symbool van deze orde was de godin Maät, dochter van de scheppergod en beschermster van de rechtvaardigheid.

Mythologie bepalend voor wereldbeeld

De mythologie van de oude Egyptenaren ging niet alleen over de vraag waar de goden en de mensen vandaan kwamen. Ze was bepalend voor hun hele wereldbeeld: hun ethische principes, staatsvorm, religie en cultuur. Grote godsdienstige centra hadden hun eigen kijk op de schepping, waarin hun plaatselijke hoofdgod de voornaamste rol vervulde. Daarom zijn er ook grote verschillen in de godenverhalen, in de Egyptische mythologie, afhankelijk van tijd en plaats. Zo werd de god Chnoem in de zuidelijk gelegen stad Aswan als schepper van de wereld beschouwd. In de politieke hoofdstad Memphis was dit de stadsgod Ptah.

Oermachten

In de stad Hermopolis (Boven-Egypte) werden vier paren van oermachten vereerd waaraan kenmerken van de nog niet geschapen wereld werden toegeschreven: Noen (het oerwater) en Noenet, Kekoe (het duister) en Kekoet, Heh (de uitgestrektheid) en Hehet, en Amon (de onzichtbaarheid) en Amoenet. De mannelijke goden zagen eruit als kikkers, hun vrouwen als slangen. Het achttal speelt een rol bij het begin van de schepping als uit het oerwater een oerheuvel verrijst waarop de zon wordt geboren. Amon werd later in Thebe als oppergod vereerd, meestal in combinatie met de zonnegod. Hij heette dan Amon-Re.

Heliopolis

De meest aanvaarde scheppingsleer was die van de stad Heliopolis, nu een buitenwijk van Caïro. Daar schiep de god Atoem het eerste land uit het oerwater en verscheen hij als zon (meestal Re de zonnegod genoemd) aan het firmament. Door te masturberen, spugen of niezen creëerde hij het eerste godenpaar, namelijk Sjoe (de luchtgod) en Tefnoet (godin van de vochtigheid). Zij symboliseren de gedachte dat de schepping voortkomt uit het scheiden van tegendelen.

Scheiding van hemel en aarde

In de scheppingsleer van Heliopolis bestond de volgende generatie uit de aardgod Geb en de hemelgodin Noet. Onder hun almacht leefden mensen, dieren en goden vreedzaam samen op de oerheuvel, tot de mensen tegen de zonnegod Re gingen rebelleren. Daarop besloot Re hemel en aarde te scheiden en uit zelfbehoud in de hemel te gaan wonen. Volgens de Egyptenaren voer hij elke dag in een bootje langs het uitspansel om ’s nachts in de onderwereld weer op krachten te komen. Daarmee symboliseerde hij de cyclische eeuwigheid, de afwisseling van licht en donker, of dood en leven. 

Onmin tussen de goden

Geb en Noet konden niet op de normale manier kinderen krijgen. De volgende generatie goden werd dan ook geboren buiten het Egyptische jaar van 360 dagen, namelijk in vijf toegevoegde dagen of schrikkeldagen. Deze goden waren Osiris, Isis, Seth, Nephthys en Horus-de-Oude. De laatste gold als een krijgshaftige god die Re beschermde. De andere kinderen van Noet hadden onderling grote conflicten. Osiris erfde als oudste het koningschap van Egypte van zijn voorvaderen, maar werd door zijn jaloerse broer Seth vermoord. Zijn weduwe Isis en Nepththys, de vrouw van Seth, mummificeerden en begroeven hem en wekten hem daarna tot leven. Zo kon hij bij Isis alsnog een kind verwekken, Horus-het-kind (Harpokrates). Die wreekte zich later op Seth, waarbij deze woestijngod zijn testikels verloor (symbool van onvruchtbaarheid) en Horus een oog. Een rechtbank van goden verdoemde Seth - hij werd de god van het kwaad - en herstelde het oog van Horus (zichtbaar als een volle, nieuwe maan). 

Leven na de dood

Horus werd de opvolger van Osiris op de koningstroon. Osiris werd koning van de onderwereld en symboliseerde daarmee de eeuwigheid van het leven na de dood. Hij werd het toonbeeld voor iedere Egyptenaar, die net als hij na de dood eeuwig in het hiernamaals wilde blijven voortleven. Er is ook een theorie die zegt dat Osiris en Re verschillende kanten van één en dezelfde godheid zijn. Eeuwig voortbestaan is onderdeel van de kosmische orde, maar dat geldt ook voor de schepping die altijd weer opnieuw begint.

Ruim vijftig goden

Het Egyptische pantheon omvat  honderden goden, waarvan de meeste dateren uit de vroeg-dynastische periode, zo’n 2900 tot 2550 jaar v. Chr. Alle godheden bestonden naast elkaar. Soms kwamen er nieuwe goden bij. Plaatselijke goden waren voor veel Egyptenaren belangrijk, maar evengoed werd zo nodig de hulp ingeroepen van een universele god. Plaatselijke goden konden trouwens ook een universele godheid worden. Godsdienstvervolging, zoals we die uit andere wereldgodsdiensten kennen, kwam vrijwel niet voor.

Diversiteit van het godendom

Goden woonden in de hemel, waar sommigen zich als ster manifesteerden. Het godendom was divers en uitgebreid: er waren stadsgoden, goden die huis en haard beschermden, goden die waakten over de liefde, seksualiteit en vruchtbaarheid, goden die als genezer optraden, goden die de oogst beschermden, goden van de Nijl, een god of godin van de begraafplaats, goden van de onderwereld, en er waren boomgodinnen en krokodilgoden.

Farao als opperpriester

De goden werden dagelijks vereerd. Daarbij fungeerde de farao in naam als schakel tussen de godheden en de mensen. Hij werd gezien als de incarnatie van de god Horus en als god op aarde. Hij werd ook wel de zoon van zonnegod Re genoemd en vanaf het Nieuwe Rijk (1539-1077 v. Chr.) gold hij als kind van de oppergod Amon. Als opperpriester moest hij de goden gunstig stemmen. Op zijn bevel werden er in het hele land monumentale tempels gebouwd om de goden en godinnen te eren. 

Symbolische handelingen

De tempels waren de aardse woningen van de goden, waar hun ziel in het centrale godenbeeld verbleef. Alleen de farao of zijn hogepriester mocht de god ’s ochtends wekken, wassen, kleden en een offermaaltijd aanbieden. Het was een symbolische handeling waarmee uitdrukking werd gegeven aan de dankbaarheid en loyaliteit van het volk en die ook van cruciaal belang was voor het handhaven van de kosmische orde. Zo zou de cyclus van het menselijk bestaan intact blijven, evenals de afwisseling van dag en nacht en de jaarlijkse overstroming van de Nijl, die van levensbelang was voor het land. De goede zorgen van de farao moesten ertoe leiden dat de goden het Egyptische volk met hun zegeningen zouden overladen, variërend van oorlogsoverwinningen tot overvloedige oogsten.

Goden als dieren

De Egyptische goden en godinnen werden in verschillende gedaanten afgebeeld: als dier, als mens, als menselijke gestalte met de kop van een dier of als een andere hybride figuur. Zo kreeg Amon, god van de lucht, een kroon met twee hoge veren. Osiris, koning van het dodenrijk, werd afgebeeld met kroon, kromstaf en vlegel. Isis, de vrouw van Osiris en begiftigd met moederlijke eigenschappen, verscheen met een troon. Horus, zoon van Osiris en Isis, kreeg een valkenkop met dubbele kroon. Re, de zonnegod, verscheen als valk met zonneschijf. Anoebis, god van de mummificatie, kreeg de gedaante van een jakhals. Hathor, godin van de vruchtbaarheid en geboorte, werd afgebeeld als koe met zonneschijf. En Thot, god van de schrijvers, verscheen als ibis of baviaan.

Beeldtaal

Hun gedaante was een verwijzing naar de betekenis die ze voor de Egyptenaren hadden. Zo werd Horus vereerd als een hemelse valk die op grote hoogte (her van Horus) zijn vleugels uitspreidde over de aarde. Zijn rechteroog was de zon, zijn linker de maan, zijn gespikkelde veren waren de sterren, zijn vleugels de lucht die de wind voortbracht. De weergave van goden is dus symbolisch bedoeld. Zo is de houding van een god of godin vaak veelzeggend. Hij of zij kan beschermend zijn of macht uitstralen. Iets dergelijks geldt voor hun attributen. Bijvoorbeeld: een medustok is een teken van aanzien, een shenring duidt op eeuwigheid, het anchteken betekent leven of het vermogen om leven te schenken. 

De voorwerpenLees meer over de voorwerpen bij dit thema