Thema 12: de modieuze mens

Op sommige oud-Egyptische muurschilderingen zijn afbeeldingen te zien van een man of vrouw met een zalfkegel op het hoofd, een vettig bolletje met geurige kruiden dat door de warmte begon te smelten waardoor het hoofd werd omgeven door een wolk van parfum. In de hogere kringen behoorden zalven en oliën tot de gangbare cosmetica. De Egyptenaren gebruikten zalven tegen uitdroging en voor medicinale doeleinden. Ze behandelden hun lichaam met massageolie, deodorant en welriekende zalven die werden gemaakt van olie en aromatische bestanddelen van mirre, woestijndadel, terebint (terpentijnboom) en/of wierook.


Cosmetica

Make-up werd al in de vroeg-dynastische periode (2900-2545 v. Chr.) gebruikt. Het opmaken van de oogleden was net als het bijkleuren van het gezicht zeer in trek bij vrouwen én mannen. Na de vroeg-dynastische periode verfraaiden zij hun uiterlijk met mesdemet, een zwarte verf die uit galeniet (loodglans) of antimoonsulfide werd gemaakt. Onder de naam kohl wordt deze verf nog altijd in Egypte gebruikt. Galeniet werkt desinfecterend, stoot vliegen af en kan de ogen beschermen tegen verblinding door de zon. De oude Egyptenaren moeten daarvan op de hoogte zijn geweest. Veel cosmetische producten en activiteiten die wij kennen, kwamen al in het oude Egypte voor: nagellak, haarverf (henna), tatoeages, middelen tegen rimpels en ouderdomsvlekken, manicure en pedicure.

Haardracht mannen

De haar- en baarddracht veranderden met de mode van de tijd. Mannen hadden veelal kortgeknipt haar of korte krulletjes. Hoogwaardigheidsbekleders en hun familieleden droegen dikwijls een pruik van halflang haar met lokken tot over de nek. Priesters waren vaak volledig kaal geschoren. Tijdens het Nieuwe Rijk (1539-1077 v. Chr.) werd dit verplicht. In de vroeg-dynastische periode begonnen mannen zich te scheren. De snor en het sikje kwamen in de mode tijdens het Oude Rijk (2543-2120 v. Chr.). 

Haardracht vrouwen

De haarmode van vrouwen was origineler en veelzijdiger dan die van mannen. Aanvankelijk hadden zij een voorkeur voor een glad, kort kapsel, maar tijdens het Oude Rijk gingen edelvrouwen en later ook hun dienstmaagden pruiken dragen waarbij het haar vanuit een scheiding in het midden over de oren naar beneden viel tot op de schouders of bij de kin. Weer later begonnen koninginnen en adellijke dames langharige pruiken te dragen. Jonge meisjes, vooral danseressen, droegen lange, dikke, gevlochten paardenstaarten met aan de onderkant een schijf of bal. Tijdens het Middenrijk (1980-1760 v. Chr.) kwam de gekrulde coiffure in zwang, waarbij het haar in twee dikke strengen werd gekamd die eindigden in spiralen achter de oren langs op de borst. Kinderen waren kaal, al waren er ook die een jeugdlok hadden. Op afbeeldingen, bijvoorbeeld van de god Harpocrates (Horus-het-kind), is die lok te zien.

Kleding mannen

De mannen waren duizenden jaren lang schaars gekleed. Ze droegen een lendendoek en daarover een kort schort waarvan de uiteinden over elkaar waren geslagen. Bij gewone mensen bleef het schort kort. In hogere kringen werd het geleidelijk langer, tot halverwege de kuiten en tijdens het Middenrijk (1980-1760 v. Chr.) tot op de enkels. Koningen daarentegen bleven korte schorten dragen. Gaandeweg werd de lendenrok uitgebreid met een reep linnen die losjes over de schouder werd gedrapeerd en later eerst korte en daarna lange mouwen kreeg.

Kleding vrouwen

Vrouwen waren in de vroege tijd dikwijls nog naakt. Omstreeks het Oude Rijk (2543-2120 v. Chr.) en het Middenrijk bestond hun standaarddracht uit een lange, witte, glad afgewerkte, nauwsluitende tuniek die met brede schouderbanden werd opgehouden. De bovenkant reikte tot over of net onder de borsten, terwijl de onderkant tot op de enkels viel. Hun armen waren vrij. Danseressen droegen vaak een kort lendenschort dat met smalle kruisbanden over de borst was vastgemaakt. Dienaressen gingen slechts gekleed in een rokje of lendenschort, of waren naakt. Op kille ochtenden en avonden hulden de rijkere dames zich in een kleed met lange mouwen en een wijd decolleté. Bij feestelijke gelegenheden droegen zij netten van rode, blauwe of groene kokervormige faiencekralen over het middelste gedeelte van hun kleed. Ze konden er moeilijk door zitten, maar dat ongemak namen ze voor lief. Minder rijke vrouwen volstonden met een kralensnoer om hun middel of een band met gekleurde strepen. 

Kleding tijdens het Nieuwe Rijk

Tijdens het Nieuwe Rijk (1539-1077 v. Chr.) werd de vrouwenmode extravaganter en gevarieerder. Dit had waarschijnlijk te maken met invloeden uit gebieden in het Nabije Oosten die toen door Egypte waren bezet. Wit bleef de populairste kleur, mogelijk ook vanwege de warmte. Kleden werden uit één of meer stukken gemaakt. De bovenste kledingstukken waren glad of geplooid, hadden korte mouwen en werden vastgespeld op de boezem of in decoratieve vouwen samengebonden. Ze waren zo dun, dat de vrouwelijke rondingen niet onopgemerkt bleven. Dat gold ook voor de eronder gedragen traditionele tuniek. Het bovenkleed was bescheiden versierd met gekleurd boordsel, banden en biezen.

Kleding tijdens de Late Periode

In de Late Periode (722-332 v. Chr.) werden daar metalen versiersels, borduursels en geverfde details aan toegevoegd. De halslijn was diep en breed of smal en kwam bij het middel samen. Sommige kleden bedekten slechts één schouder. De andere schouder en borst bleven bloot of gingen schuil achter een dunne sluier. Rangen en standen waren ook zichtbaar bij de voeten. Eenvoudige mensen liepen blootsvoets. In de hogere kringen droegen mannen en vrouwen sandalen met een voorgevormde zool van papyrus, palmbladeren of leer, die met riempjes werden vastgemaakt.

Sieraden

De productie van oud-Egyptische sieraden begon met prehistorische kralen die werden gemaakt van eierschalen, ivoor, been, dierentanden, zeeschelpen en ander organisch materiaal. Later werd er gebruikgemaakt van gebakken klei, verschillende steensoorten, faience (geglazuurd aardewerk), koper, goud, zilver en halfedelstenen. In het Middenrijk verschenen de eerste borstsieraden van cloisonné (geplet draad in email), ingelegd met halfedelstenen en gekleurd glas. Een goed voorbeeld van de rijkdom aan sieraden die de Egyptenaren maakten, is het beroemde dodenmasker uit het graf van Toetanchamon (1341-1323 v. Chr.). Dit massief gouden voorwerp, 11 kg zwaar, is ingelegd met lapis lazuli, turkoois en koraal. In het graf zijn ook gouden en ivoren armbanden, oorhangers en halskettingen gevonden die met figuraties van (half)edelstenen zijn bekleed.

Ringen, sierknoppen en amuletten

In tegenstelling tot andere Afrikaanse volkeren begonnen de oude Egyptenaren pas na duizenden jaren juwelen te dragen waarvoor een perforatie nodig was, zoals oorringen, neusringen en lipschijven. Dat gebeurde tijdens de Tweede Tussenperiode (1759-1539 v. Chr.). In de loop van het Nieuwe Rijk (1539-1077 v. Chr.) werden de ringen en sierknoppen zwaarder en de perforaties groter. Amuletten werden al in de vroeg-dynastische periode (2900-2120 v. Chr.) gedragen. In de Late Periode (722-332 v. Chr.) en in de Grieks-Romeinse tijd (332-31 v. Chr.) wonnen ze aan populariteit. Ze symboliseerden onder andere het leven, waakzaamheid, duurzaamheid, jeugd, geluk, voorspoed en kracht. In graftombes zijn veel scarabeeën gevonden, amuletten in de vorm van de heilige mestkever waaraan een beschermende kracht werd toegeschreven.

De voorwerpenLees meer over de voorwerpen bij dit thema