Thema 10: Egyptische krijgers en legers

Hoewel de oude Egyptenaren soms worden afgeschilderd als een vredelievend volk, deinsden zij er niet voor terug om hun vijanden met grof geweld te lijf te gaan. Op oude afbeeldingen zien we dat terug: een krijger brengt een aantal geknielde mannen om zeep, lijken van omgebrachte krijgers drijven in de Nijl, handen en hoofden worden afgehakt, en koning Narmer, de eerste farao van het verenigde Egypte, pakt een geknielde man bij z’n haren om hem met een strijdknots naar de verdoemenis te verwijzen.

Opkomst van het leger

Een Egyptische krijgsmacht liet een poosje op zich wachten. Waarschijnlijk werden legereenheden aanvankelijk min of meer provisorisch samengesteld uit boeren, vissers en jagers om regionale conflicten te beslechten. Beroepsmilitairen verschenen voor het eerst tijdens de Eerste Tussenperiode (2118-1980 v. Chr.), een tijd van voortdurende gewapende conflicten. In het daarop volgende Middenrijk (1980-1750 v. Chr.) kwam er een koninklijk leger van de grond, geleid door beroepsofficieren. Het veroverde een deel van het zuidelijk gelegen Nubië, waar een gemilitariseerde zone werd ingesteld om Egypte te beschermen tegen aanvallen vanuit de regionale bevolking en het zuiden. Vanaf circa 2500 v. Chr. opereerden de Egyptenaren ook met eenheden van buitenlandse huursoldaten vanwege hun bijzondere militaire vaardigheden.  

Beroepsleger

Tussen 1759 en 1539 v. Chr. begonnen de Egyptenaren te werken aan een professioneel leger met beter wapentuig. Zij zouden daarmee de Hyksos verdrijven, een volk uit Palestina dat in de Nijldelta was neergestreken. Omstreeks 1450 v. Chr. beschikten de Egyptenaren over een groot beroepsleger waarmee zij hun grondgebied konden uitbreiden tot in de kustgebieden van het Nabije Oosten.

Rekruten

Vanaf het begin van het Nieuwe Rijk (1539-1077 v. Chr.) werden steeds vaker voormalige krijgsgevangenen ingezet als soldaat. Rekruten werden ook uit Nubië gehaald, en later uit veel andere buitenlandse gebieden. De rekruten doorliepen een harde leerschool van orde en tucht. Worstelen en lichamelijke oefening waren dagelijkse kost. Geseling was de straf voor ongedisciplineerd gedrag.

Koning als opperbevelhebber

Tijdens het Nieuwe Rijk bestond het leger uit infanterie en strijdwagendivisies die werden aangevoerd door de koning of een van zijn prinsen. De krijgsmacht groeide van één naar vier divisies. Een divisie telde twintig compagnieën van elk 250 man. Een compagnie omvatte vijf pelotons van elk 50 man. Elke divisie, dus zo’n 5000 man groot, werd vernoemd naar een Egyptische god om de legereenheid extra sterk te maken. De opperbevelhebber van de strijdkrachten was de koning. Hij werd geadviseerd door een raad die bestond uit de vizier (onderkoning), generaals en hoge ambtenaren. Het leger had officieren en onderofficieren in dienst - 'opzichters' geheten - en schrijvers en ambtenaren die belast waren met de administratie.

Wapentuig

Het wapentuig van de Egyptenaren bestond aanvankelijk uit stokken, knotsen, vuurstenen messen, strijdbijlen en speren. Later werd het arsenaal uitgebreid met stormrammen, metalen speerpunten, dolken en zwaarden. Voor de langere afstand waren er lansen en boemerangs, en de pijl en boog.

Lichaamsbescherming

Het schild was van alle tijden. Eerst van huid, toen van hout, dat met leer was overtrokken. Tijdens het Nieuwe Rijk werden sommige troepen uitgerust met helmen van brons of leer. Andere eenheden kregen kleding met lederen stroken die aan elkaar waren genaaid. Omstreeks 940 v. Chr. verscheen de eerste wapenuitrusting die van ijzeren plaatjes was gemaakt.

Strijdwagens

Een belangrijke ontwikkeling in de oorlogvoering werd ingeluid met de komst van de strijdwagen, getrokken door twee paarden. Tijdens hun gewapende conflicten met de Hyksos - die het paard in Egypte hadden geïntroduceerd - hadden de Egyptenaren gezien hoeveel winst er met de snelle strijdwagens te behalen viel. Ze konden troepen er bij verrassing mee omsingelen en doorbreken. Zo werd de strijdwagen het icoon van een nieuwe militaire strategie.

Militaire vloot

Een militaire zeemacht was er nauwelijks. De Egyptenaren gebruikten hun schepen voornamelijk voor transport over de Nijl, op de Middellandse Zee en de Rode Zee. Pas in het Nieuwe Rijk werd er een militaire vloot gevormd toen tijdens het bewind van koning Ramses III (1185-1153 v. Chr.) een invasie moest worden afgeslagen van de 'Zeevolken', doorgewinterde zeevaarders die in die tijd de kusten van de Middellandse Zee onveilig maakten. Tijdens de Griekse en Romeinse periode (332 v. Chr.-395 n. Chr.) voeren de Egyptenaren op marineschepen die erg leken op die van de Grieken, Phoeniciërs en Romeinen.