Inleiding: het oude Egypte

De Griekse historicus Herodotos (484-426 v. Chr.) noemde Egypte een geschenk van de Nijl. Hij had het land bezocht en beschreven, en hij had gezien hoe belangrijk de Nijl voor de Egyptenaren was. Tot op de dag van vandaag is hij dat gebleven. De ruim 6750 km lange rivier, na de Amazone de langste rivier ter wereld, vormt de levensader van het land. Dat is al zo sinds de eerste bevolkingsgroepen 90.000 jaar geleden in het Nijldal neerstreken en er omstreeks 6000 v. Chr. de eerste boerendorpen verrezen. 

De Nijl: een belangrijke rivier

De jaarlijkse overstromingen maakten van de Nijloevers een vruchtbaar gebied. De oogsten waren overvloedig. Langzaam maar zeker veranderde het Nijldal in een welvarend gebied met bewoners die uiteenlopend werk deden: akkerbouwers, veehouders, handelaren, ambtenaren, priesters en kunstenaars. Zo werd de basis gelegd voor de oud-Egyptische beschaving. In die beschaving leek  er gaandeweg weinig te veranderen. Maar elke periode was  anders. Het grondgebied veranderde. Net als het bestuur. Soms werd Egypte overheerst en beïnvloed door buitenlanders. Alleen de Nijl bleef een constante. Een belangrijke rivier.

Ontstaan

Over het oude Egypte is veel bekend. We weten dat het rijk van de farao’s omstreeks 3100 v. Chr. is ontstaan. We weten ook hoe de Egyptenaren woonden en werkten, wat ze aten en dronken, hoe hun hiërogliefenschrift in elkaar zat, wat voor muziekinstrumenten ze bespeelden, welke cosmetica ze gebruikten, waarom ze in een hiernamaals geloofden, welke goden ze vereerden en hoe ze hun doden begroeven. Omstreeks 3100 v. Chr. werd het land onder één koning verenigd. Toen begon ook de geschiedenis van de dertig faraonische dynastieën. Een dynastie bestaat uit opeenvolgende koningen van één familie. Soms wisselen families binnen één dynastie elkaar af. Soms zijn er verschillende dynastieën tegelijk. In dat geval is het rijk verdeeld en wordt er gesproken van tussenperiodes.

Bloeiperiodes

Egypte kent drie bloeiperiodes met één koning voor het hele land: het Oude Rijk (3de- 6de dynastie), het Middenrijk (11de-12de dynastie) en het Nieuwe Rijk (18de-20ste dynastie). Daarna wordt het rijk geregeerd door tien dynastieën van overwegend buitenlandse koningen. In 332 v. Chr. wordt Egypte veroverd door de Macedonische koning Alexander de Grote en in 31 v. Chr. ingelijfd bij het Romeinse Rijk.

Tijdvakken

De oude Egyptenaren hadden geen doorlopende jaartelling. Elke nieuwe regeringsperiode begon in het jaar 1. Uiteindelijk is de geschiedenis van het oude Egypte vrij nauwkeurig ingedeeld. Op een tijdbalk van het Rijksmuseum van Oudheden (vrijwel alle jaren vóór Christus) ziet dat er als volgt uit:

  • Vroeg-dynastische periode (2900-2545) 
  • Oude Rijk (2543-2120)
  • Eerste Tussenperiode (2118-1980)
  • Middenrijk (1980-1760)
  • Tweede Tussenperiode (1759-1539)
  • Nieuwe Rijk (1539-1077)
  • Derde Tussenperiode (1076-723)
  • Late Periode (722-332)
  • Alexander de Grote (332)
  • Grieken (332-30)
  • Romeinen (31 v. Chr.-395 n. Chr.)
  • Kopten en moslims (resp. 4de eeuw en 639 n. Chr. tot nu)

Landbouw

Egypte bestaat voor negentig procent uit woestijn. Een betrekkelijk klein deel van het land, langs de oevers van de Nijl, is vruchtbaar en geschikt voor landbouw en veeteelt. Ook de visvangst is van belang. De betekenis van de Nijl vinden we terug in de oud-Egyptische kalender. De indeling in drie jaargetijden van elk vier maanden volgt het ritme van de rivier: de overstroming, het droogvallen van de akkers (zaaitijd) en de oogsttijd. In het Nijldal werden veel steden gebouwd. Daarvan zijn er maar enkele teruggevonden. In veel gevallen zijn ze onder moderne steden bedolven geraakt. Ook zijn er in het Nijldal veel tempels verloren gegaan. Veel piramides en graven zijn op de woestijnplateaus achter de landbouwvelden bewaard gebleven.

Boven en Beneden Egypte

Het land van de farao’s was verdeeld in Boven en Beneden Egypte. Boven Egypte lag in het zuiden, de Vallei, in de richting van het hoger gelegen Centraal Afrika waar de Nijl ontspringt. Daaromheen ligt de woestijn, het zogeheten 'rode land', dat als een vreemd, vijandig gebied werd beschouwd. Beneden Egypte omvatte het lager gelegen noorden, de Delta, tot aan de kust van de Middellandse Zee.

Oude en Nieuwe Rijk

In het Oude Rijk breidden de koningen hun land uit, tot het huidige Syrië, Palestina en Libanon. In de Eerste Tussenperiode viel het land weer uiteen. Deze periode wordt soms omschreven als een chaotische tijd met gevechten tussen het Noorden en het Zuiden. In het Middenrijk, de 'Gouden Eeuw' van de Egyptische cultuur, werd de eenheid hersteld. Daarna brokkelde het centrale gezag geleidelijk weer af. Palestijnse heersers, de Hyksos, profiteerden daarvan. Zij vestigden zich in de Nijldelta. Na een kleine tweehonderd jaar werden de Hyksos verdreven. In het Nieuwe Rijk breidden de Egyptische heersers het land weer uit (Syrië, Palestina). Het zuidelijk gelegen Nubië werd een Egyptische kolonie. Thebe werd de religieuze hoofdstad van Egypte, Memphis het administratieve centrum. 

Buitenlandse heersers

Vanaf 730 v. Chr. werd Egypte meermalen veroverd door buitenlanders, eerst door de Nubiërs, toen door de Assyriërs en ten slotte door de Perzen, afwisselend met periodes van Libisch gezag. De meeste buitenlandse heersers namen de moeite zich te vereenzelvigen met de Egyptische cultuur, inclusief tempels en beelden. Zij presenteerden zich dan ook als farao. Na Alexander de Grote en een verloren oorlog tegen de Romeinen ten tijde van de laatste Griekse koningin Cleopatra VII  werd keizer Augustus in 31 v. Chr. de eerste farao van Romeinse komaf.

Farao's

De farao was de hoogste autoriteit van het land. Hij was de hogepriester van de goden, schakel tussen hemel en aarde, de 'volmaakte god' voor zijn volk. Hij was verantwoordelijk voor de orde in het land en vormde de hoogste rechterlijke macht. Het dagelijks bestuur van het land was in handen van de administratie, het leger en priesters. Voor elk onderdeel stelde de farao een hoge ambtenaar aan. Die vrijheid had hij niet altijd. Soms werden posities geërfd en had de farao te weinig macht om dat te veranderen. Zijn macht was ook niet altijd absoluut. In periodes van zwak centraal gezag hadden lokale gouverneurs veel vrijheid om hun gebied zelfstandig te besturen. De meeste koningen waren mannen, maar vrouwelijke farao’s waren er ook, zoals Hatsjepsoet en Cleopatra VII. Sommige koninginnen (Nefertiti) hadden mogelijk grote invloed op het beleid van hun echtgenoot.

Goden en godinnen

In tegenstelling tot de monotheïstische godsdiensten (jodendom, christendom, islam) hadden de oude Egyptenaren niet één god, maar meerdere goden. Deze godheden gaven ieder op hun eigen manier betekenis aan de plaats van het land en zijn bevolking in de kosmos. Sommige goden werden geassocieerd met de zon, de vruchtbaarheid en de schepping, maar vaak waren ze zo veelzijdig dat ze zowel goed als kwaad konden doen. De farao liet tempels en piramides bouwen, en speelde soms een hoofdrol bij religieuze rituelen. Voor de meeste Egyptenaren was de plaatselijke god in de tempel van hun woonplaats het belangrijkste opperwezen, maar zo nodig konden zij ook de hulp inroepen van andere goden. De goden werden afgebeeld als dier of als mens met een dierenkop (Horus had de kop van een valk). In de veertiende eeuw v. Chr. verhief de farao Achnaton de zonnegod Aton tot de belangrijkste god.

Mummies

De Egyptenaren mummificeerden hun doden om hen voor te bereiden op een volgend leven. In hun wereldbeeld was de schepping een cyclisch proces, net als de wisseling van dag en nacht, de afnemende en wassende maan, de opkomst en afsterving van het gewas en het stijgen en zakken van het water van de Nijl. Cyclisch was ook het bestaan van de mens. Na zijn dood werd hij opnieuw geboren en was hij klaar voor een nieuw leven in het hiernamaals.

Wedergeboorte

De eerste voorwaarde voor een wedergeboorte was dat de integriteit van lichaam en ziel behouden zou blijven. Door de doden te mummificeren zou het lichaam een veilig omhulsel blijven voor de ziel. Op hun reis naar het dodenrijk kregen de overledenen soms tal van voorwerpen mee, variërend van wapens tot aardewerk, stèles met afbeeldingen en spreuken, gemummificeerde dieren en sieraden. Ook werden zij van voedsel voorzien om in goede conditie te blijven. Zo konden zij als vergoddelijkte doden nog miljoenen jaren vooruit.

Piramides

In de periode tussen het Oude Rijk en het Middenrijk lieten farao's piramides voor zichzelf bouwen. Deze enorme koningsgraven stonden op de grafvelden van de hoofdstad Memphis en in zuidelijker gelegen gebieden, zoals in de buurt van Hawara. Ze symboliseren de welvaart en efficiënte administratie van de Egyptische staat. De koningsgraven waren gevuld met talrijke voorwerpen die de koning vergezelden op zijn reis naar het hiernamaals. De mummie van de farao lag in een houten lijkkist die in een grote stenen sarcofaag werd geplaatst. Later zetten de koningen een punt achter de bouw van piramides en werden de graven voor farao’s en hoge ambtsdragers uit rotsen gehakt.