Van 50 tot 300 na Chr. was de Rijn de noordgrens van het immens grote Romeinse Rijk. Op de zuidoever van deze rivier hadden de Romeinen kampen en wachttorens gebouwd, ook in Nederland. Zo kon het leger de drukke vaarroute over de Rijn bewaken. Want er voeren veel Romeinse schepen over de Rijn. Ze brachten materialen en manschappen van het vasteland naar Engeland, en ze zorgden voor de bevoorrading van de forten aan de grens. De schepen die de Romeinen het vaakst gebruikten, waren van hout en hadden een platte bodem. Die worden rijnaken genoemd.
Nu komen we bij de vraag hoe de Romeinen konden varen. In ieder geval konden ze schepen laten varen door te roeien, zoals de grote oorlogsschepen die op de Middellandse Zee de vijand bestormden. Maar er is niks bekend over rijnaken die met roeien vooruit kwamen, en die het mogelijk maakten om tegen de stroom in over de Rijn naar het Duitse gebied te varen. En juist in dat gebied, de Eifel, lagen de steengroeven die nodig waren om de Romeinse houten legerkampen te moderniseren tot tufstenen grensforten.
En dat is precies wat er gebeurde in de tweede eeuw na Chr. Scheepsladingen vol tufsteen waren nodig voor de grensforten in het Nederlandse deel van de Rijn. Tot enkele jaren geleden dachten wetenschappers dat de rijnaken met hun platte bodems moeilijk stroomopwaarts konden varen. Maar een spectaculaire ontdekking in Woerden in oktober 2003 leidde tot een nieuwe theorie. Konden de Romeinen hun rijnaken roeien?
Drs. Tom Hazenberg is directeur en senior adviseur van archeologisch adviesbureau Hazenberg Archeologie