Geschiedenis museum: de negentiende eeuw

Trappenhuis museum rond 1900Trappenhuis museum rond 1900

Tegenwoordig vindt u het Rijksmuseum van Oudheden in een groot en monumentaal gebouw aan het Rapenburg, de mooiste gracht van Leiden. Maar het museum zag er decennialang heel anders uit en veranderde een paar keer van locatie. Een geschiedenis van bijna 200 jaar begon in een eenvoudig pand aan de Leidse Houtstraat in 1821.

Het allereerste begin

Nadat koning Willem I het Rijksmuseum van Oudheden in 1818 had gesticht, ging de jonge directeur Caspar Reuvens op zoek naar een passende behuizing. De Rijksuniversiteit Leiden had in 1801 een patriciërshuis aan het Rapenburg gekocht, samen met een aantal pandjes die ‘om de hoek' aan de Houtstraat lagen. Het patriciërshuis met bijbehorend hof deed eind 16e eeuw dienst als nonnenklooster. In 1819 werd dat complex uitgebreid met een aantalaangrenzende huizen.
Inmiddels had de universiteit in een van deze panden haar natuurhistorische verzamelingen ondergebracht. Reuvens regelde dat zijn museum een plek kreeg in het complex en in 1821 werd de eerste presentatie van het Rijksmuseum van Oudheden getoond in een van de panden aan de Houtstraat.

Ruimtegebrek

In de jaren daarna werden de verschillende panden verbouwd tot museumruimtes, met de hoofdingang aan het Rapenburg. De hoofdbewoner van het complex werd het in 1821 opgerichte Rijksmuseum van Natuurlijke Historie. Doordat de collectie ‘oudheden' razendsnel groeide, kampte men al gauw met een nijpend ruimtegebrek. Het Rijksmuseum van Oudheden verhuisde daarom in 1837 naar een pand aan de Breestraat. Daar was de collectie voor het eerst in haar geheel voor publiek te zien.

Overvol

De nieuwe aanwinsten bleven echter in hoog tempo binnenstromen en ook de ruimte aan de Breestraat was na twintig jaar overvol. De toevoeging van een verdieping in 1858 bood korte tijd enig soelaas, maar in 1893 moest een deel van de collectie toch weer terug naar het gebouw van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie aan het Rapenburg.